14-12-07

Paula's ogen. Brief uit Worpswede


Onder witte berken lost het landschap op,
zijn meisjes aan het zoeken
geheimen in het gras.
Op het laatst kleine, ronde kiezels
onder wijdvertakte bomen.
Deuren slaan open, we blijven staan,
wagen ons geen richting uit.

We zullen ons herinneren die dagen
bij jou, de haard, de sofa, een tafel
met stilleven. Maar waar we zijn ben je niet.
Ginds trekt het moeras, verzinkt
het monster van de nacht, terwijl jij
je gedachten liet ontluiken, strelingen

van lucht en water, wiegde je blauw
in kleine streepjes, brak de hemel open,

je geest een sleutel, in je ogen een diepe zee
uitzinnig aan het branden.
We herkennen elkaar, spreken af
aan deze zijde bij elke zucht
door hoge berkenkruinen jouw stem
te horen, je leven doet zich over, straalt

dat nooit meer afscheid komt geslopen.
Een plots gedraaide wind beroert
de jonge voorjaarsheester, voert ons
naar buiten, vogels aan het praten, jij leeft je uit.
Dood, hoe nabij is uw geboorte?

Wat straks geweest is, is ook wat blijft – licht
heel rap te voorschijn, tastbaar is de huid.


+++
Geschreven bij de honderdste sterfdag van
Paula Modersohn-Becker (1876–1907).
Afgebeeld is haar schilderij Selbstporträt
nach halbrechts, mit Hand am Kin, 1906.

Geen opmerkingen: