17-04-13

Valeria Luiselli. Een correspondentie (deel 2)



Frans Budé en Valeria Luiselli. Een correspondentie #2

Valse papieren van Valeria Luiselli verscheen in september 2012. Het werd meteen bejubeld, en in NRC, Het Parool en De Morgen aangewezen als een van de beste boeken van het jaar en kreeg al snel een tweede druk. Frans Budé kreeg een vroeg exemplaar in handen en was erg onder de indruk van het boek. Daarop vroeg Luiselli’s uitgever of hij haar niet zou willen aanschrijven. Frans Budé stemde in en uit die eerste mail ontspon zich een correspondentie met de jonge Mexicaanse. De elementen uit deze e-mailwisseling die betrekking hebben op Valse papieren zijn nu vertaald en zullen als een interview in drie delen op deze website geplaatst worden.  Haar boek verscheen bij Uitgeverij Karaat te Amsterdam.

Frans Budé:
Onlangs bezocht ik in Antwerpen een overzichtstentoonstelling van de Amerikaanse kunstenaar Jimmie Durham. Ik kwam er dit statement van hem tegen: ‘What a coincidence that I’m so often at the center of the world’. Omdat ik Valse papieren pas had gelezen en het boek nog vers in mijn geheugen had, moest ik onmiddellijk aan jou denken. Valeria Luisella moet ongetwijfeld ooit hetzelfde gevoeld hebben, was mijn gedachte. Je bent vaak verhuisd, reist veel. Gaat Durhams opmerking ook voor jou op? En wat brengt in dat geval zo’n gevoel bij je teweeg?

Valeria Luiselli:
Ik vind de gedachte achter dat ‘coincidence’ mooi. Al dient het hier waarschijnlijk om een sardonische wending aan de verklaring te geven, het herinnert me ook aan het vleugje irrealisme dat iemands zelfkennis vaak met zich meebrengt.

FB:
Je had het eerder over de ‘relingo’, een naamgeving van de Mexicaanse architect Carlos González Lobo voor een open, bar terrein, een ‘stedelijke restplek’ zoals je die in elke grotere stad wel kunt aantreffen. Uiteindelijk zie je het schrijven als ‘het opvullen van relingo’s’. Met andere woorden: de schrijver als (landschaps)architect?

VL:
Het had me mooi geleken landschapsarchitect of stedelijk inrichter te zijn geworden. Een van de boeken waaraan ik nu schrijf – langzaam, voorzichtig en met veel plezier – is eigenlijk niet meer dan een opsomming van niet-bestaande gebouwen. Als ik tekentalent zou hebben gehad, zou ik ze simpelweg tekenen, jammer genoeg heb ik dat niet. Daarom beschrijf ik ze. Maar jouw vraag gaat verder. Laat ik het zo formuleren: ik zie schrijven niet zozeer als het opvullen van relingo’s, maar eerder als het maken van relingo’s: als het creëren van lege ruimtes, die door ons voorstellingsvermogen ingevuld kunnen worden.

FB:
Je schrijft heel beeldend over een bezoek aan San Clemente, het kerkhof van Venetië waar onder meer Joseph Brodsky, het doel van je tocht, is begraven. Toch lijkt het of je de fascinatie die sommigen voor oude begraafplaatsen hebben – ik denk aan Cees Nooteboom en zijn boek Tumbas – niet meteen deelt. Bezoeken aan Parijse kerkhoven gaven je, zo schrijf je, een bittere smaak in de mond. Hoe kom dat?

VL:
Veel begraafplaatsen lijken wel musea – waar de dood en vergankelijkheid bewaard en geësthetiseerd worden. Ik geef de voorkeur aan ruimten die zich minder bewust zijn van zichzelf.

FB:
Ook je roman Los ingrávidos [verschijnt in het najaar 2013 in Nederlandse vertaling als De gewichtlozen] is met veel enthousiasme ontvangen. In Valse papieren ga je kort in op jouw manier van schrijven, over goede en slechte momenten tijdens het schrijfproces.
Hebben de lovende recensies extra druk op je gelegd of stimuleren ze juist?

VL:
Wanneer ik een recensie lees, of die nu goed of slecht is, word ik geheel ingenomen door de gedachten van de criticus. Maar die overgave is net zo tijdelijk als willekeurig welk gesprek of gemoedstoestand dan ook. Op het moment dat ik ga zitten om te schrijven, ben ik niet in staat om aan iets anders te denken. Ik denk maar zelden over recensies na – ik herinner me ze ook bijna niet – wanneer ik aan het schrijven ben. Dat is een van de redenen waarom ik van schrijven houd: er bestaat niets buiten de woorden die voor me op papier staan. Maar daarbij is het ook het moeilijke en soms zelfs het frustrerende aan schrijven, in ieder geval wat mij betreft: ik ben afhankelijk van mijn eigen woorden om een stimulus te vinden en door te schrijven, om niet onmoedigd, verveeld of uit mijn ritme te raken.

FB:
Als ik dit hoor over jullie zomerverblijf in Mexico begrijp ik ook beter de tegenstelling met Manhattan waar je met je gezin woont. Je hebt niet veel op met de ‘neo-Manhattoes’ om je heen ‘(...) omdat geen van hen in staat is roddels over de andere buren te verspreiden’. Elders schrijf je: ‘Nooit zullen we meer over onzelf te weten komen dan wanneer we iemand roddels over een ander horen verspreiden.’ Het is interessant te horen. Iemand als Gore Vidal heeft in het eerste deel van zijn memoires naast prachtige tijdsbeelden op een superieure manier roddels opgenomen. Er is dus blijkbaar zoiets als een behoefte?

VL:
Het enige wat ik kan bedenken dat kwaadaardiger is dan een schrijver, dat zijn twee schrijvers – terwijl ze roddelen over een derde. Maar misschien vormen schrijvers wel een noodzakelijk kwaad. Bedoel je met je vraag ook of roddelen een noodzakelijk kwaad is voor goede literatuur? Indien ja, dan is het nogal een brutale maar even mooie vraag. Ik zou best eens een boek willen schrijven dat alleen maar over roddelen gaat. Het roddelen herbergt een vreemde, zich tegensprekende kracht – het biedt namelijk een absolute macht aan hen die verder machteloos zijn. Wie over iemand anders roddelt, doet dat alleen maar wanneer het leven van die andere persoon buiten het bereik valt van de persoon die roddelt, en deze niet in staat is het te veranderen of erop in te grijpen. In het rijk der literatuur blijkt geroddel veroorloofd door de fundamenteel fictieve grondslag ervan – het wordt gezien als een simpele splijtstof waaruit een menselijke geschiedenis zich kan ontvouwt. Delen van menselijke geschiedenissen. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de briljante essays van Mary McCarthy, bij wie de schijnbaar frivole kant van het roddelen aan de basis van alles lag. En je noemt Gore Vidal – hij is ook een goed voorbeeld van iemand die via schijnbaar triviaal geroddel de maat neemt van zijn tijd. In hun handen bieden roddels een prachtig uitzicht over ons menselijk gedrag.
Voor een schrijver, en in het bijzonder een romancier, is er niets interessanter dan het leven van andere mensen. En niets is fundamenteler: een schrijver moet in contact staan met de verhalen van anderen – behalve als hij over honden of vogels schrijft (en hier kom ik met een halve roddel: ik heb eens een schrijver ontmoet die zichzelf introduceerde als een romancier die alleen maar over honden schreef – en die opmerking was niet slechts een half verhaal of metaforisch bedoeld, hij schreef echt alleen maar over honden). Schrijvers komen tot bloei tijdens roddelen: het is de primordiale soep waar ze zich allemaal aan laven. Mensen met te veel tijd vullen hun leven met roddelen. En de meeste schrijvers – al zullen de meeste dat ontkennen – hebben te veel mentale tijd. Zodoende zal een schrijver roddelen – wat op hetzelfde neerkomt als zeggen dat een schrijver schrijft: hij of zij verzint, overdrijft, construeert, vertelt verhalen.
Het is moreel gezien uiteraard een delicaat onderwerp – geroddel biedt een ongelooflijk creatief potentieel voor het werk van een schrijver, maar het kan tegelijkertijd een even vernietigende kracht op het leven van anderen hebben. De vraag is dus altijd: waar trek je de limiet?




Geen opmerkingen: