18-04-13

Valeria Luiselli. Een correspondentie (deel 3)




Frans Budé en Valeria Luiselli. Een correspondentie #3

Valse papieren van Valeria Luiselli verscheen in september 2012. Een tweede druk volgde al snel. Cees Nooteboom schreef een voorwoord; het omslag van zowel eerste als tweede druk werd door de jonge Portugees André da Loba ontworpen. Frans Budé correspondeerde met de schrijfster. Dit is het derde en laatste deel van die e-mailwisseling.

Frans Budé:
Gaat je fascinatie voor atlassen en kaarten mogelijk terug op de talrijke internationale verhuizingen die je al als kind meemaakte of vindt die elders zijn oorsprong?

Valeria Luiselli:
Bedoel je dat die fascinatie zijn oorsprong vindt in de vele internationale verhuizingen? Ik denk dat ‘ja’ een goed, exact en kort antwoord hierop is. Maar laat me een stapje verder gaan. Ik zie mezelf als iemand met een goed richtingsgevoel. In nieuwe steden kan ik snel en gemakkelijk mijn weg vinden. Maar toch raakte ik lange tijd wanhopig, pathetisch verdwaald wanneer ik naar Mexico-Stad terugkeerde – wat ik ook deed. Dus toen ik in 2005 of 2006 voor een periode terug naar Mexico verhuisde, kocht ik een Guía Roji – een Borgesiaans object met gedetailleerde kaarten van elke centimeter van Mexico-Stad. Ik las hem ’s avonds, wierp er een blik op tijdens mijn ontbijt, nam hem overal mee naartoe (dit was best moeilijk omdat we het niet over een klein voorwerp hebben: het is een groot, zwaar, rood boek). Het was tijdens een van mijn studeersessies in deze Guía Roji dat ik een opzet begon te maken voor Valse papieren. Op dat moment – zo zie je maar hoe het geheugen werkt en aangespoord wordt – herinnerde ik me dat ik, tijdens de jaren dat ik in Zuid-Afrika woonde, opgroeide terwijl ik naar kaarten van Mexico-Stad keek. Maar geen normale kaarten. Geen echte, moderne kaarten die de stad in de twintigste eeuw voorstelden. Nee, het waren historische kaarten uit de zestiende, zeventiende, achttiende en negentiende eeuw, die mijn vader gebruikte om zijn doctoraalscriptie te schrijven. Ze lagen door het hele huis verspreid, en hingen vaak aan de muur van de studio en leeskamer. Toen realiseerde ik me dat ik me een groot gedeelte van mijn kindertijd via deze oude kaarten had beziggehouden met het maken van voorstellingen van een niet bestaande stad. En ik zag meteen voor me dat mijn gebreken in het richtingsgevoel binnen Mexico-Stad terug te wijzen waren op dat gegeven. Daardoor werd mijn obsessie met de Guía Roji een noodzakelijk verraad ten opzichte van die valse kaarten. Ik werd als het ware richting de uiterst gedetailleerde voorstelling van de werkelijkheid gedwongen – als compensatie op de diep ingesleten fantasie van een lang verdwenen Mexico-Stad. Maar nu ben ik psychoanalytisch bezig.

FB:
Om even in de wereld van de kaartenmakers te blijven: in je boek trek je een vergelijking tussen een patholoog-anatoom en een cartograaf: ‘(...) ze stellen enigszins arbitraire grenzen vast bij een lichaam dat zich in beginsel verzet tegen al te duidelijke afbakeningen, tegen al te exacte defininities en begrenzingen’. De kaart van Venetië vergelijk je met ‘de fragmenten van een gebroken knie’, die van Mexico-Stad met een ‘perfecte schedel, half-elliptisch ondergedompeld in een grote teil’. Een antieke kaart van dezelfde stad doet je denken een ‘hart op sterk water’. Waar komt die pathologisch-anatomische belangstelling vandaan?

VL:
Ik heb geloof ik wel wat pathologisch-anatomische kennis. Geen praktijkkennis, enkel theoretische (dat betekent dat ik veel over mijn eigen anatomie weet, maar dat ik er niet meteen iets goeds of bruikbaars met die kennis doe, behalve dat ik denk dat ik beter weet dan mijn huisarts). Ik heb veel gelezen over de geschiedenis van de geneeskunde – in het bijzonder en redelijk recent over middeleeuwse geneeskunde. Daarnaast was ik vroeger balletdanseres, ongeveer tot ik met schrijven begon. Ik herinner me nog altijd de namen van de meest vreemde beenderen, gewrichten en spieren – de ruimte die ze innemen, de bewegingen waartoe ze in staat zijn, de draaiingen, hun flexie, en zelfs de mogelijke blessures die ze allemaal kunnen krijgen. Een gedeelte hiervan komt waarschijnlijk als vanzelf eens terug in mijn teksten, maar ik ben natuurlijk geen arts. En ik heb ook geen enkele echte of substantiële kennis van de geneeskunde. Ik geloof dat ik de geneeskunde behandel als een onderdeel van de geschiedenis van de fictie.

FB:
Iets heel anders nu. Je vreest dat de intrede van de computer de traditie van het essay in gevaar brengt. Ook spreek je over (ik citeer) ‘het expansionistische imperium van Google... Je kunt geen kant meer op’. Elders in het boek constateer je dat ‘de crisis van de cultuurbijdragen van de kranten nog lang niet voorbij is. Verklaar je nader. Welke oplossing te vinden?

VL:
Het is interessant dat je het zo ziet. Ik geloof niet dat ik het zo direct heb opgetekend, maar ik heb wel het gevoel dat de computer – en dan in het bijzonder internet en de sociale media – de traditie van het ‘personal essay’, zoals de Amerikanen het noemen, ondermijnt. Maar uiteindelijk hoeft die ondermijning niet noodzakelijk afbraak te doen aan het genre. Ik zal het uitleggen. Het essay – van Montaigne tot Rousseau, en vervolgens de Britten als Hazlitt, Lamb of later Orwell en Woolf – heeft altijd de grenzen van de intimiteit afgetast. Een deel van de schoonheid van het essay – in mijn ogen – was precies de manier waarop essayisten in staat waren dat vage grensgebied te bewandelen. Maar intimiteit heeft nu een heel andere vorm dan vroeger. De privéleven van een ander is vaak maar een click bij ons vandaan. Daarbij is nog nooit zo een overdaad geweest aan mensen die over hun privéleven geschreven hebben als nu. Daarom denk ik dat het personal essay naar andere wegen moet zoeken om de intimiteit opnieuw uit te vinden, en om de essayvorm een nieuwe gedaante te geven. In andere woorden: in een wereld waarin het publieke en het privéleven in elkaar overlopen, kan (en moet) er eens nagedacht worden over het heruitvinden van het essay.

FB:
Joseph Brodsky heb je persoonlijk ontmoet. Je zou graag een boek willen schrijven over zijn bezoeken aan Venetië, maar er is iets dat je ervan weerhoudt. Ik zou je net willen aanmoedigen die confrontatoe aan te gaan. Wat zou je tegenhouden?

VL:
Het hangt ervan af wat je bedoelt met ‘persoonlijk ontmoeten’. Ik bezocht hem op zijn begraafplaats, dat wel. Maar hij was niet echt spraakzaam. Ik heb het idee laten varen om een compleet, ernstig boek over zijn werk te schrijven. Ernstige, complete academici zijn daar beter in dan ik. Maar wie weet – en is het zo een levensproject en zal ik het in de verre toekomst nog eens oppakken.

FB:
Ten slotte. Op pagina 103 schrijf je: ‘Het boek als een eeuwige plek om altijd naar terug te keren.’ Als iets waar is, geldt dat voor Valse papieren. Het is je gelukt mij meer dan eens te verlokken het boek opnieuw open te slaan om steeds opnieuw andere facetten te ontdekken. Zie het als een groot compliment.

VL:
Dankjewel, Frans!
__________
Valeria Luiselli, Valse papieren. Ingeleid door Cees Nooteboom. Vertaald door Merijn Verhulst. Omslag André da Loba. ISBN 9789079770106. 
144 p. paperback, € 16,90. Uitgeverij Karaat te Amsterdam.

Geen opmerkingen: