28-07-16

Apollinaire in Stavelot (B)


Amadeo Modigliani tekende hem uit, de kunstenaars Jean Metzinger, Max Jacob, Marcel Duchamp, zijn vriendin Marie Laurencin, en Maurice de Vlaminck. Giorgio de Chirico beeldde hem op een schilderij als de ‘blinde ziener’ af. Picasso zette hem wel twintig keer op papier, soms in een vluchtige schets, karikaturaal, andere keren gedetailleerd, maar altijd trefzeker in gestalte en karakter: Guillaume Apollinaire (1880-1918), dichter, schrijver, kunstcriticus; een enkele keer door zijn vriend met het lichaam van een atleet afgebeeld – hij ging prat op zijn struise verschijning, de onafscheidelijke pijp, snorretje, peervormig hoofd, borstelhaar. En vanaf het oorlogsjaar 1914 als frontsoldaat met getrokken zwaard en kanon. Twee jaar later, na het verwijderen van een granaatsplinter, wordt hij afgebeeld met het hoofd in een verband, smartelijk, maar met het opgespelde oorlogskruis tegelijk ook kinderlijk trots.
Wie was dit rokend heerschap dat volgens de tekeningen – de meeste verschenen als losse krabbel op notitieblaadjes of restaurantnota’s – zich zo graag verpoosde aan de borreltafel in de leeshoek?
Als Wilhelm Albertus Vladimir Apollinaris de Kostrowitzky (zijn echte naam), reserveert zijn moeder in juli 1899 voor hem en zijn jongere broer Albert een kamer in Pension Constant in het Ardense plaatsje Stavelot. Zelf neemt ze haar intrek in Spa, op een steenworp afstand van het casino, waar ze met een vriend heel wat tijd doorbrengt. 
(...)
In Stavelot dient zich met de eerste verliefdheid van de jonge Wilhelm tegelijk het ontluikende dichterschap aan. De achttienjarige Maria Dubois verschijnt in zijn leven, haar ouders baten naast de kerk, op nummer 12 café ‘Les Brasseurs’ uit. Ook bij de ‘Cercle la Fougère’, de plaatselijke toneelclub, die een zaaltje huurt in Pension Constant, is ze regelmatig te zien. Voor haar schrijft hij zijn eerste gedichten. Het wordt een korte liaison, die in Apollinaires poëzie aanwezig blijft, zoals in het gedicht ‘Mareye’, Waals voor Maria (‘Mareye était très douce étourdie et charmante / Mois je l’aimais d’Amour m’aimait-elle, qui sait?’) dat men later in zijn nalatenschap zal aantreffen. De toon van de ‘mal-aimé’, de onbeminde, die door Apollinaires gedichten loopt, is daarmee in Stavelot gezet. In de bundel ‘Le guetteur mélancolique’ (de weemoedige wachter) heeft hij de reeks ‘Stavelot’ uit 1899 opgenomen waarin Maria Dubois als ‘Mareï’ voorkomt. In de bundels ‘Alcools’ (1913) en ‘Calligrammes’ (1918) waarmee Guillaume Apollinaire
naam maakt, wordt op verschillende plaatsen niet altijd even expliciet naar de Belgische Ardennen verwezen, maar is de streek desondanks sterk aanwezig in de sfeer van het landschap.
(...)

 frb

(Fragmenten uit: ‘Voor het oog van de mens. Over de betekenis van Guillaume Apollinaire’. Opgenomen in Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999).


Vertaling opschrift foto, aangetroffen op het raam van een restaurant in Stavelot: ‘Hoog tijd de sterren opnieuw aan te steken’. 

Geen opmerkingen: