in de late zon lange schaduwen: de bunkers in de heuvels, golfplaatschuurtjes op het land. tegen hellingen snakt witte wijn. de dalen deinen watermerken. je vraagt je af welke golflengte het landschap heeft, het zwaait van zeebodem tot draad. een spanning die tot aan vandaag meeloopt, hersenstroom, kippenvel, geril. loop je door het bos zoemt het in je nek: er zwermen wespen, gonzen, muggen en horzels of wat ook dat jou zo dreigend beloert, achternazit. dan sta je er, weer op vrije veldweg, als verdoofd bij: het is zo onwaarschijnlijk mooi hier in de late zon.
Christoph Wenzel
Vertaald door Ton Naaijkens en opgenomen in Mondruimtes en matroesjka’s. Actuele Duitstalige poëzie. Uitgeverij M10BOEKEN, Doetinchem 2026
“Ze fietste onder lichte boomkruinen. Ze ademde met open mond. Altijd als ze op een hogere verdieping moest zijn, en dat moest vaak, rende ze de trappen op. Ze nam nooit de lift, ze hield niet van stilstaan. Die ochtend hield ze een lezing voor het personeel van een of ander ministerie. Het ging goed, ze merkte dat ze hun aandacht had (hun gezichten: die waren op haar gericht, zoals groene planten zich ’s morgens richten naar het licht). Na afloop wilde het hoofd communicatie een nieuwe afspraak met haar maken. Ze spraken af dat ze erover zouden mailen. Er kwamen diverse mensen naar haar toe om haar te bedanken voor de lezing. En toen, op weg naar de uitgang, was er een man die haar dwong om te blijven staan, ze snapte niet hoe. Ze bleef op hem staan wachten; hij werkte zich door de menigte heen terwijl hij haar aankeek, hij hield haar vast met zijn blik. Zijn ogen – daar zat iets in, iets zachts en volhardends, iets zelfverzekerds en onderzoekends, ze wist het niet. Zelfs toen alles achter de rug was, begreep ze nog niet wat het was geweest, ze had er voor zichzelf geen verklaring voor, en zeker niet voor mij.”
Uit: Geir Gulliksen, Het verhaal van een huwelijk. Vertaald uit het Noors door Geri de Boer. Uitgeverij Ambo | Anthos, Amsterdam 2018
Verheug je als de wind door de boomgaard waait en de golf van het leven terugbrengt: hier waar een dode wirwar van herinneringen afzinkt was geen tuin, maar een relikwieënkist. Wat je hoort fladderen zijn geen vleugels, het is de beroering van de eeuwige schoot; zie hoe deze eenzame strook land verandert in een smeltkroes. Binnen de steile muur wacht niets dan kwelling. Als je verdergaat ontmoet je misschien de schim die je redding is: hier vormen zich de verhalen, de daden uitgewist door het spel van de toekomst. Zoek de kapotte maas in het net dat ons verstrikt, spring eruit en vlucht! Ga: voor jou heb ik het verlangd – mijn dorst zal lichter zijn, mijn wrok minder wrang…
Uit: Eugenio Montale, Zeekatskeletten. Vertaald uit het Italiaans en van een nawoord voorzien door Jur Koksma & Joep Stapel. Uitgeverij IJzer, Utrecht 2025
“Alain staarde Lydia doordringend aan. Hij keek al zo sinds ze drie dagen geleden in Parijs was aangekomen. Waar wachtte hij op? Een plotseling inzicht in haar of in hemzelf.”
Uit: Pierre Drieu La Rochelle, Dwaallicht. Vertaald uit het Frans door Marijke Arijs. Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk 2024
“‘Heb je het niet koud?’ Marie-Laure Cresson had zich vragend tot haar echtgenoot gewend. Begenadigd met een knap gezicht, met mauvekleurige, sprekende ogen, een ietwat aanstellerige mond en een prachtige neus, had ze velen verleid voordat ze, nogal overhaast trouwens, in het huwelijk was getreden met die robuuste, gezonde jongeman, Ludovic Cresson genaamd, een beetje een playboy, een beetje onnozel, om wie de meisjes uit het zestiende arrondissement destijds met elkaar vochten vanwege zijn rijkdom en zijn opgewekte humeur. Hoewel Ludovic Cresson een notoire vrouwengek was, zou hij een trouwe echtgenoot zijn, dat was duidelijk. Helaas waren al zijn kwaliteiten, behalve zijn geld, in de ogen van Marie-Laure ook bijna allemaal gebreken.”
Uit: Françoise Sagan, De hoeken van het hart. Vertaald uit het Frans door Saskia Taggenbrock en Martine Woudt. Meulenhoff Boekerij, Amsterdam 2020
“Ik was op die halfslachtige overgangsleeftijd – dertien jaar – waarop een jongen nog steeds kinderdingen doet, maar ook zijn eerste volwassen dingen begint te doen. Ik keek nog steeds één keer per week, op zaterdagochtend, naar tekenfilms op tv, maar was wel sinds kort, eveneens één keer per week, begonnen mijn snor te scheren. En ik vroeg mijn moeder nog steeds om me af te zetten en op te pikken bij de bioscoop als ik met vrienden naar de film ging, maar ik deed wel al een beetje eau de cologne en deodorant op voor ik de deur uit ging. En ik verzamelde en ruilde nog steeds honkbalplaatjes, maar in dezelfde lade bewaarde ik een paar pornoblaadjes die me hielpen bij mijn eerste, onhandige masturbaties. Maar ik herinner me ook dat ik op die leeftijd, uit principe of uit pure rebellie (waarschijnlijk een beetje van allebei), nee begon te zeggen tegen de dingen die mijn ouders me opdroegen.”
Uit: Eduardo Halfon, Tarantula. Vertaald uit het Spaans door Marijke Arijs. Uitgeverij Koppernik, Amsterdam 2024
“De dag dat ik zeven jaar werd, op 14 april 1873, trok mijn moeder, Molly Walsh, me mijn zondagse kleren aan en nam me mee naar Union Square om een foto van me te laten maken, de enige die bestaat uit mijn kindertijd. Ik sta naast een harp, met het verbijsterde gezicht van een gehangene omdat ik minutenlang mijn adem in had moeten houden voor een zwarte kist en ik was geschrokken van de steekvlam die de lamp had veroorzaakt. Het geval wil dat ik geen enkel instrument kan bespelen, de harp was een van de stoffige toneelaccessoires van de studio, samen met zuilen van papier-maché, Chinese vazen en een opgezet paard. De fotograaf was een besnord mannetje van Hollandse afkomst, die sinds de periode van de goudkoorts van zijn beroep had kunnen bestaan. In die tijd lieten de mijnwerkers, die van de bergen naar beneden kwamen om hun goudklompjes in bewaring te geven aan de banken van San Francisco, een foto maken om naar hun bijna vergeten familie te sturen. Toen er van het goud niet meer over was dan de herinnering, bestond de clientèle van de studio uit deftige mensen die poseerden voor de eeuwigheid. Wij behoorden niet tot die categorie, maar mijn moeder had zo haar eigen redenen om een foto van haar dochter te laten maken. Uit principe, meer dan uit noodzaak, steggelde ze met de kunstenaar over de prijs. Voor zover ik weet heeft ze nooit iets gekocht zonder zichzelf het genoegen te gunnen korting te vragen.”
Uit: Isabel Allende, Mijn naam is Emilia del Valle. Vertaald uit het Spaans door Rikkie Degenaar. Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam 2025
“Ze had een oud gezicht. Ze was oud. Maar het was het gezicht waar hij van hield. Waar hij tegen wilde praten, dat hij tegen hem wilde horen praten, waarvan de warme, bruine ogen zijn hart verwarmden, waarvan het lachen hem tot lachen verleidde, dat hij in zijn handen wilde nemen om het te kussen, dat hem ontroerde. Ze ontroerde hem. Haar zoektocht naar haar plek in het leven, de geheimzinnigheid waarmee ze haar schrijven omringde, haar hoop op laat succes, haar worsteling met de drank, haar liefde voor kinderen en honden – er lag veel onvervulds, veel onvervulbaars in wat hem ontroerde. Was ontroering een mindere vorm van liefde? Misschien, als ze alles was. Maar voor hem was zij niet alles. Als hij opstond van dat krukje, kon hij nooit berusten. Hij hield nooit op met wensen dat het anders zou worden. Maar hij was gelaten. Het was nu eenmaal zoals het was. Hij ging naar de woonkamer en ging op de bank zitten.”
Uit: Bernhard Schlink,De kleindochter. Vertaald uit het Duits door Marcel Misset. Uitgeverij Cossee, Amsterdam 2023
Een moeizame god op de rand van mijn bed,
zes engelen met vermoeide vleugels,
windkracht 10 en tegen de wind in gevlogen
over het wad, storm op zee.
In de nacht zie ik de lichten van de overkant,
kijk naar de engelen die mij lijken te kennen,
mijn deken willen lenen
en eigenlijk ook het bed
waarin ik toch niet kon slapen.
De god lijkt op de kapitein van de veerboot,
de konijnen die ik in het donker zag lopen
waren bang voor de jager, de vuurtoren
viel met zijn licht door de kamer,
maar verder was alles in orde.
2
Op het duinpad kwam ik mijn moeder tegen,
maar zij zag mij niet. Zij praatte tegen een andere
dame, en ik hoorde haar zeggen, iedereen
vindt mij hier aardig.
Dat zij echt was wist ik door het geluid
van het schelpengruis onder haar voeten.
Daarna zag ik ook mijn broer en mijn halfbroer
onderweg met hetzelfde verleden als het mijne,
chaos en onrust. De Noordzee
had wilde koppen,
het strand was verlaten. Mijn broers
waren doorzichtig.
Ik zag het pad door ze heen.
Nu zou ik een schat willen vinden,
een aangespoelde walvistand, of goud,
waardoor alles weer goed kwam.
3
Niet in ieders leven speelt een vuurtoren een rol,
maar wel in het mijne. Vandaag op dit andere eiland
naar de toren gelopen, regen, geschreeuw
van meeuwen. ’s Nachts mocht ik bij de wachter zitten,
die deed of hij nog bestond. Hij schreef het op,
een schip om de Noord, de windkracht. En ik zag
in het duister een licht tegen de golven, en dichterbij
wat hij schreef in een handschrift van vroeger.
Allang dood, hij. Alle zeeën bevaren,
alle havens gezien,
Archangel, Valparaíso, het gedicht van de scheepsarts.
Vier op, vier af, een nacht op de toren,
brik om de Noord,
stilte, roken, schrijven, stilte, het licht over het duin,
“Hij trok zijn knieën op tot zijn buik en hield zijn ogen open. Alles om hem heen was donker. De regen en de nacht hadden het bos uitgewist, en de novemberkou die aan zijn gezicht likte leek nog ijziger dan eerst. Het bed van naalden was modderig geworden. Om hem heen steeg een greppelgeur op. Hij rilde tot het eerste ochtendlicht, en toen de dag eindelijk verscheen, was het een kreupele, ellendige dag. Hij kroop uit de kuil. Met moeite stond hij op, zette een paar onzekere stappen. Het was alsof hij opnieuw moest leren lopen. Een melkachtig licht weekte de bomen een voor een los uit de duisternis. Door de nevel kreeg hij bij vlagen de indruk dat ze op hem afkwamen, als reusachtige beelden, rijdend op hun sokkel. In de lucht krabden de kraaien aan de buiken van de wolken. Hij probeerde de panden van zijn jas uit te wringen, maar zijn vingers waren te verkleumd, ze waren krachteloos. Hij verliet de den zoals je een vriend verlaat die je opeens koud laat, die niets meer voor je kan doen.”
Uit: Philippe Claudel, Een Duitse fantasie. Vertaald uit het Frans door Manik Sarkar. De Bezige Bij, Amsterdam 2021
“Het gras, het grind, het hek, het asfalt. Het gras, het grind, het hek, het asfalt. Het heeft nog niet gesneeuwd. Ik heb mijn nachtpon aan. Ik moet gewoon uit het raam staren, ik moet hier gewoon blijven staan tot ze komt. Het gras, het grind, het hek, het asfalt. Ik moet blijven staan, niet knipperen. Ik heb het koud.”
Ingvild H. Rishøi
Uit: Het verhaal over mevrouw Berg. Novellen. Vertaald uit het Noors door Liesbeth Huijer. Uitgeverij Koppernik, Amsterdam 2025