13-01-2021

Gedicht 'Panamarenko op 5 februari 1940'


Panamarenko op 5 februari 1940
bij zijn geboorte, Biekorfstraat 2, Antwerpen


Zonder zijden parachute ingedaald,
zonder vliegende rugzak bij u naar buiten.
Mijn armpjes wijd door u gestrekt,
alsof ik gevleugeld word, op schaal
gemeten, gepolijst met uw zepen.
Mij wentelen wil ik onder water,
peddelen in de lucht, stijgen, landen,
op zilveren batterijen loodrecht bij u
omhoog, u mijn straalkracht tonen.
Ik vlieg, moeke, continentaal
en ook nog aerodynamisch. Weidse
vergezichten als gij me optilt,
ik voelbaar zweef boven propere
doekskes, dozekes – amai, ik leef.

 frb

Uit: Transit. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2012
Afbeelding: Panamarenko, ‘Pepto Bismo', brons met zes propellers, 2003
Over Panamarenko: https://nl.wikipedia.org/wiki/Panamarenko

 

09-01-2021

Aldus de schrijver (95)

 

“Achtentwintig dagen geleden was de onuitsprekelijke kwelling begonnen. Twaalf dagen verbleef ik nu op deze afgelegen plek, in dit afgesloten gedeelte van het onmetelijke gebergte, wachtend tot de priesters me welgezind zouden zijn.
Waarom moest ik me altijd als ik voelde dat ik in een cruciale fase van mijn bestaan was aangeland zo ontredderd voelen? Waarom dat verschrikkelijke gevoel van verlies, van gemiste kansen, van totale mislukking? Nu ja, ik zal de priesters hun ritueel zien uitvoeren maar wat zal ik er mee opschieten? Ik zal ze zien. Ik zal beloond worden voor mijn engelengeduld, voor het feit dat ik me door niets heb laten weerhouden. Door niets: niet door de onbegaanbare weg, niet door het reizen met een denkend maar ontregeld lichaam dat ik met geweld het zwijgen op moest leggen, wilde ik voorkomen dat het in opstand kwam; niet door de natuur met zijn plotseling opstekende stormen die ons in een netwerk van bliksemschichten hullen; niet door de lange nachten waarin ik door krampen bezocht werd en waarin ik zag hoe een jeugdige indiaan zich in zijn droom met een soort vijandige razernij krabde op precies die plekken waar ik door krampen bezocht werd, – en die jongeman die me pas de vorige avond voor het eerst ontmoet had, zei: ‘Oh, moge hem alle kwaad overkomen dat hem maar overkomen kan.’ ”

Antonin Artaud, Reis naar het land van de Tarahumara. Vertaling en nawoord: Jules Dister. Uitgeverij Helwegen, Maastricht, 2020
Over Antonin Artaud: 
https://nl.wikipedia.org/wiki/Antonin_Artaud   

Over Jules Disterhttps://julesdister.nl/boeken/antonin-artaud-reis-naar-het-land-van-de-tarahumara.html


06-01-2021

Toon Tellegen, 'De optocht'

 

Kijk, daar komen mensen aan.
Ze denken dat er geen muren zijn, geen valkuilen, geen dodelijke
omhelzingen op het midden van onze weg.
Pats!
En daar komen auto's, fietsers, spreeuwen, muggen.
Pats!
Daar komen vrouwen, gedreven door lichtzinnigheid en
plotselinge opwellingen, hun lippen rood van begeerte, hoor ze
roepen hoe onweerstaanbaar zij zijn: 'Wij zijn hier! Wij zijn nu!
Wij zijn alles!'
Pats!
Daar komen mannen, met hun pijnlijke tekortkomingen en
luchtkastelen, hun schrikbeelden en stemmingmakerij, hun
zenuwtrekkingen en zelfbedrog, hun tomeloze aanvechtingen en
opzettelijke misrekeningen, ze rapen al hun moed bij elkaar om
raadselachtig om zich heen te kijken.
Pats!
En daar komen kinderen, ze zijn zo doorzichtig en zo
ingewikkeld... hoor ze zingen dat ze groot zullen worden en
grimmig en hun verstandelijke vermogens in dienst zullen stellen
van rijkdom en genot.
Pats!

Uit: Toon Tellegen, De optocht. Uitgeverij Querido, Amsterdam 2012
Over Toon Tellegen: https://nl.wikipedia.org/wiki/Toon_Tellegen

 

 

02-01-2021

Aldus de schrijver (94)


"Hij dronk. Hij zakte weg in de alcohol als in een afgrond, in een zachte, verleidelijke, lekker liggende afgrond. Hij die zijn leven lang zo naarstig bedacht was geweest op een verzorgd uiterlijk, om dienstredenen die eigenlijk al geboden van zijn natuur waren geworden, begon nu slordig te worden, in zijn houding, in zijn manier van lopen, in zijn voorkomen. Het begon ermee dat hij, nadat hij een hele nacht had doorgedronken, in bed ging liggen zonder méér uit te trekken dan zijn jas, vest en schoenen. Hij gespte zijn bretels los, te lui was hij om ook nog zijn broek en kousen uit te doen. Van het leven in de kazerne was hij gewend zich 's avonds voor het slapengaan te wassen en te scheren – want de dienst begon al om zes uur 's morgens. Nu begon hij eerst het scheren tot de ochtend uit te stellen. Maar wanneer hij uit bed stapte was het al laat, zo rond het middaguur, en hij herinnerde zich dat sommigen zich maar eens in de dagen schoren of lieten scheren. Nog altijd bracht hij de energie op om zich te wassen. Nog altijd bekeek hij zich in de spiegel, niet om te kijken hoe goed hij eruit zag, maar juist om te weten te komen, of hij er nog niet slecht genoeg uitzag."


Uit: Joseph Roth, Het valse gewicht. De geschiedenis van een ijkmeester. Uit het Duits vertaald door Wilfred Oranje. Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen 2004

Joseph Rothhttps://nl.wikipedia.org/wiki/Joseph_Roth

 

30-12-2020

Aldus de schrijver (93)



“Waarom, denk ik, zouden de lichtende punten aan het firmament minder toegankelijk voor ons zijn dan de zwarte stippen op de kaart van Frankrijk?

Als we de trein nemen om naar Tarascon of Rouen te gaan, dan nemen we de dood om naar een ster te gaan. Iets wat in deze redenering zeker waar is, is dat wij tijdens ons leven niet naar een ster kunnen gaan. Evenmin als we na onze dood de trein kunnen nemen. Enfin, het lijkt me niet onmogelijk dat cholera, nierstenen, tering en kanker hemelse vervoersmiddelen zijn zoals stoomboten, omnibussen en treinen aardse vervoermiddelen zijn.

Rustig van ouderdom sterven is dan te voet daarheen gaan.

Nu ga ik naar bed, want het is laat en ik wens je goedenacht en veel geluk.

Met een handdruk.”


t. à t.

Vincent


Uit: Brieven van Vincent van Gogh. Troost voor bedroefde harten.

Samengesteld door Nienke Bakker, Leo Jansen en Hans Luijten.

Uitgeverij Prometheus, Amsterdam 2020


Over Van Gogh: https://nl.wikipedia.org/wiki/Vincent_van_Gogh


Boven: 'Sterrennacht boven de Rhône',1888. Beneden: 'De sterrennacht', juni 1889






28-12-2020

Aldus de schrijver (92)

 

“Met zijn duim in de mond zweeft en trappelt hij. Vruchtwater drinkt hij, wordt ook weer uitgeplast. Licht en donker, de hartslag van iemand heel dichtbij, een vrouwenstem. Hij voelt en proeft, hoort en ruikt. En hij komt steeds krapper te zitten, stoot zijn knieën, ellebogen, pats, ook nog eens zijn hoofd. Soms wiebelt hij voorzichtig richting de zachte wand, een andere keer draait hij onder een soepele sliert door. Rondom hem hoort hij het schommelen van water, het lijkt erop dat hij zacht meedeint. Steeds vaker vangt hij stemmen op, het meest die van dezelfde vrouw en dezelfde man. Ze lachen en converseren, vertellen elkaar verhalen. De mannenstem komt wel eens heel dichtbij, hij hoort wat woordjes, en niet veel later dobbert hij.

Het lijkt wel of er iemand om de zoveel tijd tegen hem aandrukt. Nu en dan schiet hij vooruit. De vrouwenstem klaagt dat ze pijn heeft. Is hij dat? Hij voelt dat hij begint te draaien, zijn hoofd komt vast te zitten, hij ziet niets, beweegt zich op een smalle doorgang aan, floept door iets vliesachtige heen. Een gordijn met een koord. Hij schiet vooruit, wil kijken, kan niets zien, protesteert luid en duidelijk. Beginnen ze nog te lachen ook.

Oké, hij is een jongetje, hoort hij. Geen idee wat dat inhoudt, hij zal het vast wel zien. Eindelijk iemand die zorgzaam is, hem naast het lichaam van de vrouwenstem legt, lieve woorden tegen hem zegt. En zijn naam, wel tien keer zijn naam. 

Geen bootje meer waarin hij zeilt, niet langer meer draden en strengen om hem heen.”


Uit: De dagen. Belevenissen van een jongen. Uitgeverij Karaat, Amsterdam 2017

Over de schrijver: https://nl.wikipedia.org/wiki/Frans_Bud%C3%A9


25-12-2020

Georg Trakl, 'In het park'

 



In het park

Weer wandelend in het oude park,

O! stilte geel en van rode bloemen.

Ook jullie treuren, goedige goden,

En het herfstige hout van de olm.

Roerloos staat bij de blauwige vijver

Het riet, verstomt 's avonds de lijster.

O! buig ook jij dan het voorhoofd

Voor het vervallen marmer der voorouders.


Uit: Georg Trakl, Het zwijgen in de steen. Gedichten. Uit het Duits vertaald door Huub Beurskens. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1981

Over Trakl: https://nl.wikipedia.org/wiki/Georg_Trakl

Beurskens: https://nl.wikipedia.org/wiki/Huub_Beurskens



23-12-2020

Gedicht eerder verschenen



Steeds verleidelijker de velden vlees

tegen een herfstbruine muur. Alsof

de dag trager dan verwacht verstrijkt


boven bed en sprei, zij zonder lakens

van de nacht geen houvast vindt


dan een ontwaken eerder niet gedurfd.


Zo snel schikt men zijn zinnen niet, 

men kijkt dankbaar mee hoe het soest


over borsten en het been, de slaap

die haar is toebedeeld, aders zo dun


dat onverwacht een suizen klinkt – 

aarzelende aanzet, de huidglans nieuw.


 frb



Uit: Bestendig Verblijf. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2009

Gedicht bij Lucian Freud, Portrait on a White Cover, 

2002–2003, olieverf op doek


Over Lucian Freud: https://nl.wikipedia.org/wiki/Lucian_Freud





19-12-2020

Aldus de schrijver (91)

 


"Dit was het vreemdste: het was winter en de eerste lenteboden dienden zich aan. Soms kwamen er jongens langs op blote voeten met een sjaal om hun hals. In de greppels langs de kale velden kwam wat groen op; en de amandelboom strekte bleke takken ten hemel.

Toen het niet meer regende werd ook de zee zacht en helder. Stefano ging weer in de frisse lucht langs het strand wandelen en droomde loom dat Concia de dag dat ze op blote voeten in de winkel was geweest het einde van de winter had aangekondigd. De zee leek op een weide, maar de ochtenden en de nachten waren ijskoud en Stefano warmde zich nog aan de bak met hete as. De velden bestonden uit hard geworden modder; Stefano zag ze al kleur krijgen en geel worden en zich voorbereiden op de zomer en zo de kringloop van de jaargetijden voltooien. Hoe vaak zou hij dat daar nog meemaken?”


Uit: Cesare Pavese, ‘De gevangenis’. Vertaald uit het Italiaans door Anton Haakman. Opgenomen in Jouw land. Verzamelde romans, uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2001


Over Cesare Pavese: 

https://nl.wikipedia.org/wiki/Cesare_Pavese




16-12-2020

César Vallejo, 'Vertrouwen in de bril, niet in het oog'

 

Vertrouwen in de bril, niet in het oog;
in de trap, nooit in de trede;
in de vleugel, niet in de vogel
en in jou alleen, in jou alleen, in jou alleen.

Vertrouwen in de slechtheid, niet in de slechte;
in het glas, maar nooit in de likeur;
in het lijk, niet in de mens
en in jou alleen, in jou alleen, in jou alleen.

Vertrouwen in velen, maar niet meer in één;
in de bedding, nooit in de stroming;
in de broek, niet in de benen
en in jou alleen, in jou alleen, in jou alleen.

Vertrouwen in het venster, niet in de deur;
in de moeder, maar niet in de negen maanden;
in het lot, maar niet in de gouden dobbelsteen,
en in jou alleen, in jou alleen, in jou alleen.


5 okt. 1937

César Vallejo, ‘Vertrouwen in de bril, niet in het oog’. Vertaald uit het Spaans door Bart Vonck. 

Uit: Bloemlezing uit de poëzie van César Vallejo. Poëziecentrum, Gent 1995
 

Over César Vallejo: https://nl.wikipedia.org/wiki/César_Vallejo



12-12-2020

Aldus de schrijver (90)


 

"Pierre Alechinsky (1927), reeds een halve eeuw wereldwijd een van Belgiës succesvolste schilders, koestert al zijn hele leven bewondering voor James Ensor en is net als de Oostendenaar een fan van carnaval, het feest van de gedaanteverandering. Zijn monumentale De laatste dag (1964) is een ode aan de meester, en via Ensor ook aan Bosch en Bruegel: 'Ik heb me gestort op alles wat ik van Ensor te zien kon krijgen in de Belgische verzamelingen en zowat overal in musea, galeries, tweedehandsboekhandels,' schrijft hij in een opstel met de titel 'Schuld aan Ensor'.

Ensors maskers en vreemde creaturen zijn bij Alechinsky veranderd in in een fantasiewereld van monsters, vreemde vogels, slangen, vissen, een doodshoofd. Het lijkt een warrelende en verwarrende chaos in felle kleuren. Ook die felheid is ensoriaans, maar de schijnbare explosie van spontaniteit is bij nader inzien beheerst. Er is een marge en er is een midden, er is een spel met groen en wit en er is een voelbaar ritme. De laatste dag, volgens Alechinsky een verwijzing naar het einde en de dood die de bestaande orde door elkaar schudt, is ook in een heel andere betekenis een afscheid: voor wat Alechinsky wilde bereiken was olieverf niet flexibel en dynamisch genoeg en hij schakelde in deze jaren dan ook over op schilderijen in acrylverf en tekeningen in Oost-Indische inkt.

De laatste dag bevindt zich in het grensgebied tussen abstracte en figuratieve schilderkunst. Dat samengaan van wat op het eerste gezicht onverzoenbaar is, de vreemde wezens die bij elke nieuwe blik op het schilderij in andere creaturen lijken te veranderen, het spontane en instinctieve dat belangrijker is dan het verstandelijke, het 'primitieve' en het kinderlijke als inspiratiebronnen: het zijn stuk voor stuk kenmerken van de geruchtmakende Cobra-beweging, die al met al slechts 'duizend dagen en nachten' duurde (1948-1951) en zowel een voortzetting was van als een reactie op het surrealisme."

Uit: Patrick de Rynck, Dit is België. In tachtig meesterwerken. Uitgeverij Athenaeum–Polak & Van Gennep, Amsterdam 2010

Afb.: 'De laatste dag', olieverf op doek, 330 x 500 cm, 1964

Over Alechinskyhttps://nl.wikipedia.org/wiki/Pierre_Alechinsky




09-12-2020

Czesław Miłosz, 'De nieuwe eeuw'

 


De nieuwe eeuw


Mijn lichaam wil mij niet gehoorzamen.

Het valt op een effen weg, komt met moeite de trap op.

Ik sta er satirisch tegenover. Ik lach het uit,

met zijn flodderige spieren, slepende voeten, blindheid,

al die parameters van de diepe ouderdom.


Gelukkig blijf ik 's nachts gedichten maken.

Ook al kan ik ze, nadat ik ze 's ochtends 

opgeschreven heb, niet meer ontcijferen.

Wat helpt zijn de vergrote letters van de computer.

Die ik dus nog meemaak – en dat is een goed ding.


Czesław Miłosz, 'De nieuwe eeuw.' Uit het Pools vertaald door Gerard Rasch. Uit: Czesław Miłosz, Gedichten. Uitgeverij Atlas, Amsterdam / Antwerpen, juni 2011, derde druk

Over Czesław Miłosz:

https://nl.wikipedia.org/wiki/Czes%C5%82aw_Mi%C5%82osz



05-12-2020

Aldus de schrijver (89)


"Aan weerskanten van de vallei glipten beekjes uit de heuvelravijnen en stortten zich op de bedding van de Salinas. Tijdens de winters van natte jaren stroomden de beekjes overvloedig van het smeltwater en lieten ze de rivier soms zwellen tot ze raasde en kolkte, boordevol, en dan bleef er niets heel. De rivier rukte de randen van de landbouwgrond af en spoelde hele akkers weg; ze kieperde schuren en huizen om zodat ze deinend wegdreven. Ze verstrikte koeien en varkens en schapen en verdronk ze in haar modderige bruine water en voerde ze naar de zee. Dan, als de late lente kwam, trok de rivier zich terug van haar randen en verschenen de zandbanken. En 's zomers stroomde de rivier helemaal niet bovengronds. Er bleven alleen wat poelen over achter in de diepe kolkgaten onder een hoge oever. De biezen en grassen begonnen weer te groeien, en wilgen rechtten zich met de brokstukken van de overstromingen in hun bovenste takken."



Uit: John Steinbeck, Ten oosten van Eden. Vertaald uit het Engels door Peter Bergsma. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 2020


Over John Steinbeck: https://nl.wikipedia.org/wiki/John_Steinbeck




02-12-2020

Tomas Tranströmer, 'April en stilte'


 April en stilte


De lente ligt braak.

De zijdezwarte sloot

kronkelt naast mij voort

zonder spiegelbeelden.


Het enige dat glanst 

zijn gele bloemen.


Ik word in mijn schaduw gedragen

als een viool 

in haar zwarte kist.


Het enige dat ik wil zeggen

blinkt buiten bereik

als het zilver

bij de pandjesbaas.



Uit: Tomas Tranströmer, De treurgondel. Vertaald uit het Zweeds door 

J. Bernlef. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 1996


Over Tomas Tranströmer: https://nl.wikipedia.org/wiki/Tomas_Transtr%C3%B6mer


Over J. Bernlef: https://nl.wikipedia.org/wiki/J._Bernlef


28-11-2020

Recent verschenen: 'Het schikken van de dingen : zestien Soutines'

 


Bij de gerenommeerde bibliofiele uitgeverij 'Druksel' te Gent verscheen afgelopen week mijn bundel Het schikken van de dingen : zestien Soutines in een gesigneerde en genummerde oplage van 126 exemplaren.

De gedichten zijn geschreven bij het werk van de schilder Chaïm Soutine (Smilowitchi, Wit-Rusland 1893–Parijs 1943).

Uit de toelichting die uitgever Johan Velter bij de bundel geeft: "De schilder wordt in het begingedicht, 'L'arbre de Vence', geïntroduceerd, de dichter wordt de schilder, beiden zijn een maker. In de volgende gedichten, elk gedicht 'beschrijft' een ander schilderij, komen de schilder, de dichter en het afgebeelde in één tafereel samen, er is tegelijkertijd afstand tot het werk, de dichter is aanwezig ín het werk, de lezer wordt een deelgenoot."

(...)

Het razen van de schilder wordt door de schrijver bedwongen en daardoor komt de kern van het schilderkunstig oeuvre bloot te liggen: medemenselijkheid, een mens die leeft. Onder de zogezegde bedaardheid van Frans Budé's zinnen, die het leven doen zinderen (taal is adem), is de betrokkenheid groot, maar ook de bewogenheid van de dichter zelf, niet alles is communicatie, is nog zichtbaar – die wordt door de dichter aan ons gegeven: Het bewogen en overwogen kijken als rijkdom van de poëzie."

Meer uit bovenstaande beschouwing kan men vinden op http://druksel.be/nl/fondsen/bude%20soutine/meer.html

Bundel bestellenhttp://druksel.be/nl/fondsen/bude%20-%20soutines.html

Afbeelding beneden: 'Soutine, Autoportrait' (1920-1921)




25-11-2020

Gedicht van Paul Celan

 


Wijnboeren spitten

de klok met de donkere uren

om, laag voor laag,


je leest,


de Onzichtbare

roept de wind

tot de orde,


je leest,


wie open is draagt

de steen achter zijn oog,

die herkent je,

op sabbat.



Paul Celan, uit ‘Nieuwe cyclus (na Ilana)’, opgenomen in Paul Celan, 

Verzameld werk. Vertaald (uit het Duits) en toegelicht door Ton Naaijkens.

Uitgeverij Athenaeum–Polak & Van Gennep, Amsterdam 2020


Over Paul Celan: https://nl.wikipedia.org/wiki/Paul_Celan

Over Ton Naaijkens: https://www.uu.nl/medewerkers/ABMNaaijkens/Profiel






24-11-2020

Aldus de schrijver (88)


"Tegen het eind van november sloeg het weer om, het water bevroor. De ondergelopen velden waren verijsd, starre bosjes riet staken recht omhoog uit de vlakte. Het was de tijd van het jaar dat er zegels voor de motorrijtuigenbelasting werden verkocht; het zal een uur of drie zijn geweest, en het was alweer zondag. 's Nachts was er sneeuw gevallen, van die aarzelend, opeengepakte vlokjes die horen bij ijzige kou, die weinig sporen nalaten. Het vroor dat het kraakte, de strakke lucht was van staal. Het licht leek haast groen, het zou hoogstens nog één uur dag zijn. De tabakswinkel stond vol ontevreden klanten die ongedurig werden, met hun voeten stampten en in arren moede weer vertrokken: Yvonne was er niet, en de kleine Bernard die op de winkel moest passen, zoals vaker gebeurde, kon wel kranten en sigaretten verkopen maar niet de ingewikkelde handelingen uitvoeren vereist voor de afgifte van de zegels."


Uit: Pierre Michon, De hengelaars van Castelnau. Uit het Frans vertaald door Rokus Hofstede. Uitgeverij van Oorschot, Amsterdam 1997

Over Pierre Michon: https://nl.wikipedia.org/wiki/Pierre_Michon


21-11-2020

'Te wachten op de trein'



Te wachten op de trein, uiterst moeizaam 

over de grijze brug, een gele bloem springt 

open, helder in een draai, en valt niet om. 


De bloei is een begin, de trein loopt prachtig 

binnen, is een engel, strijkt langs de perrons. 

Om niet te verdwalen stappen we in, jij,


bedachtzaam, tilt je koffers, probeert opnieuw

een brede lach. En staart. Breekt het landschap in, 

regen slaat het raam, rechts een huis gegeseld – 


zag je dat, een tuinschuur klapte open, er golven 

hagen op de wind. Onvermoeibaar kuiert 

de landweg, wegen binnendoor, staat


onverwacht een ladder, glimmend, hemelhoog. 

Scheert een flits van een signaal – dat er iets is,

langzaam voortduurt, en alles nog te gaan.


 frb


Uit: De trein loopt prachtig binnen. 

Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2003




18-11-2020

Pierre Reverdy, 'Verrassing uit de hemel'

 

Verrassing uit de hemel


Achter in de gang zullen de deuren opengaan 

Een verrassing wacht wie voorbijkomt

Een paar vrienden zullen er elkaar treffen

Er is een lamp die niemand aansteekt

En je enige oog dat straalt


Iemand daalt op blote voeten de trap af

Een inbreker of degene die als laatste kwam

Die we niet meer hadden verwacht

De maan kruipt weg in een emmer water

Een engel hoepelt op het dak

Het huis stort in


Op straat stroomt een liedje in de goot voorbij


 

Uit: Pierre Reverdy, Het ovale dakraam Uit het Frans vertaald door 

Jan H. Mysjkin. Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk 2017


Over Pierre Reverdy: https://nl.wikipedia.org/wiki/Pierre_Reverdy



14-11-2020

Neo Rauch, 'Vater'


“Er zit zo veel in de kunstwerken van Neo Rauch dat je steeds denkt: waar kíjk ik nou naar? Ik werd een beetje uit het lood geslagen. Wat doet dat doosje daaronder, en waarom staat die man die vaas te fotograferen? Een waanzinnig schilderij. Dit werk is ook persoonlijk. Rauch verloor zijn ouders toen hij 4 weken oud was door een treinongeluk, en hij staat daar met zijn vader in zijn armen. Die handen, waarom zijn die zo raar en groot? Ik moest gelijk aan Mickey Mouse denken. Terwijl het onderwerp heel zwaar is, staat er zo'n opdringend detail, puur komisch, kinderlijk bijna. Het zet je op scherp. Ik las over Rauch dat hij een hekel heeft aan interpretaties van zijn werk. Daar heeft hij dan pech mee, want interpreteren doen kijkers toch. Ik wel. Dit is razend knap en onvergelijkbaar met alle andere kunst.”

 

Aldus Volkskrant-lezer Iena Redeker in de rubriek ‘Oog voor detail’ van Wieteke van Zeil in Volkskrant Magazine van 7 november. Beeld: Neo Rauch, ‘Vater’, 2007, olieverf op doek, Museum de Fundatie, Zwolle.

Over Neo Rauch: https://nl.wikipedia.org/wiki/Neo_Rauch