05-04-2020

Aldus de schrijver (54)


Wiel Oehlen schreef jarenlang zijn 'punaises' die geplaatst werden op de voorpagina van het Limburgs Dagblad. Puntige, prikkelende aforismen met een kwinkslag, maar ook met een onderliggende gedachte, bedoeld om de lezer voor een moment aan het denken te zetten. Sinds kort zijn er zo'n drieduizend gebundeld, samen met een aantal 'Cartoonismen' van cartoonist Marius Ingenhoven. 
Een kleine keuze uit het hoofdstuk 'Standvastigheid':


De mooiste prijzen worden gewonnen door de mensen die hun lot in eigen hand hebben genomen.
          π 

Ontdekkingsreizigers durven te verdwalen.
          π
         
Waar je tegen op ziet als een berg, kijk je op terug als naar een hoogtepunt.
          π

Een zes die een acht probeert te halen, is een tien waard als zij een zeven krijgt.
          π

Altijd als ik de oren krijg gewassen, doet mijn neus alsof zij bloedt.
          π

Ook geoefende ruiters zijn als jonge veulens begonnen.
          π

Na maar lang genoeg ja-knikken kun je alleen nog maar ja-slikken.
          π

De waarheid wordt nog altijd bij donker in de krant gezet.
         π

Autoriteiten zijn bang voor cabaretiers, omdat cabaretiers autoriteiten zijn geworden.
          π

Wispelturige kiezers hopen op standvastige politici; wispelturige politici hopen op standvastige kiezers.

Wiel Oehlen, Zolang de aarde rond is moeten we verder. Uitgeverij TIC, Maastricht 2020


02-04-2020

'De stad'





De stad

                 Midden in een stad als een vraag zich opwerpt, 
de grond onder je voeten verdwijnt. Liften
zienderogen moe, remmen af, meedogenloos. 
Je staat op een punt, denkt na, ergens 
loopt een weg met vertes slingerend door.

Je verkiest te roepen als een teruggekeerde,
zo hard als ooit beloofd. Huizen breken 
uit hun schaduw, aarzelend knarst een luik.
    
Het is er wel, het verhaal, veel later pas,
onophoudelijk, het vertelt zich door,
terwijl men ontwaakt en knikt, lang 

nog niet in staat, verwonderd dat je praat. 


 frb

Uit: Bestendig verblijf. 
Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2009



30-03-2020

Aldus de schrijver (53)


"Het was hoogzomer in de Berkshires. Herzog was alleen in het grote oude huis. Gewoonlijk kieskeurig wat voedsel betreft, at hij nu Silvercup-brood uit een papieren verpakking, bonen uit blik en Amerikaanse kaas. Nu en dan plukte hij frambozen uit de dichtbegroeide tuin, waar hij met verstrooide voorzichtigheid de doornige ranken optilde. Wat slapen betreft, hij sliep op een matras zonder lakens – het was zijn voormalige huwelijksbed – of in de hangmat onder zijn jas. Hoog baardgras en jonge focust- en eikenboompjes omringden hem in de tuin. Als hij 's nachts zijn ogen opendeed waren de sterren zo dichtbij als onstoffelijke lichamen. Vuren, natuurlijk; gassen – mineralen, hitte, atomen, maar vol verhalen om vijf uur in de morgen voor een man, die gewikkeld in zijn overjas in een hangmat ligt."

Saul Bellow, Herzog. Vertaald uit het Engels door Mischa de Vrede en Uitgeverij Bert Bakker. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2002 (zevende druk)

26-03-2020

De eerste alinea (97)


"In 1942 werd Janny Fields, de moeder van Garp, te Boston opgebracht wegens het verwonden van een man in een biscoop. Dit gebeurde kort nadat de Japanners Pearl Harbor hadden gebombardeerd. De mensen konden toen veel verdragen van soldaten, omdat ineens iedereen soldaat was, maar Jenny Fields bleef bij haar afwijzende houding jegens het gedrag van mannen in  het algemeen en van soldaten in het bijzonder. In de bioscoop moest ze driemaal gaan verzitten, maar telkens schoof de soldaat weer dichterbij – totdat ze pal tegen de beschimmelde muur zat, waar haar uitzicht op het journaal bijna geheel versperd werd door een rare rij pilaren, en toen besloot dat dat ze niet nog eens zou opstaan om ergens anders plaats te nemen. De soldaat schoof nog één keer op en kwam naast haar zitten."

John Irving, De wereld volgens Garp. Vertaald uit het Engels door C.A.G. van den Broek. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam / Antwerpen, negenendertigste druk 2015


22-03-2020

Aldus de schrijver (52)


"Het heeft op een godverdomse manier vlam gevat daarachter, tussen twee dorpen, waar ze het aardappelloof in brand hadden gestoken.
Het soepele vuurdier sprong uit de heidevelden tevoorschijn toen het in de nacht drie uur sloeg. Eerst ging het tekeer in de dennenbossen. Op het moment zelf meenden ze het zonder veel schade te kunnen bedwingen; maar het stortte er zich zo krachtig op, de hele dag en een deel van de nacht, dat het armen brak en de hersenen van alle kerels heeft afgemat. Toen de dageraad aanbrak, zagen ze het dier, robuuster en uitbundiger dan ooit, terwijl het zijn grote lichaam als bergbeek tussen de heuvels door kronkelde. Het was te laat.
Sindsdien heeft het zijn rode hoofd tussen de bossen en heidevelden geduwd, gevolgd door zijn buik van vlammen; zijn staart, achter hem, slaat tegen de gloeiende kooltjes en de as. Het kruipt, het springt, het gaat voorwaarts. Een haal van zijn klauw rechts, eentje links; hier scheurt het een eikenbosje aan flarden; daar verslindt het met één klap van zijn bek twintig witte eiken en drie trosjes dennen; de angel van zijn tong bevoelt de wind om de windrichting te bepalen. Het lijkt wel of het weet waar het heen gaat.
En het is zijn snuit, weerzinwekkend van het bloed, die Maurras in de heuvelkom heeft ontwaard."

Jean Giono, Heuvel. Uit het Frans vertaald door Kiki Coumans. Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk 2020

(foto boven: portret uit 1937 van Jean Giono, geschilderd door Eugène Martel)

20-03-2020

'Witte gorilla'


Witte gorilla

1

Witgebaarde aap komt op
handen en voeten aan, dient
het uitgelopen volk

dat lacht om de afdruk
van zijn duim, de dolgedraaide
keutels achter in de hoek

Vergeten dat het zondag is
Vergeten dat de lucht
gaandeweg betrekt. Blij

dat ik niet kijk
als het begint te klaren


2

En steeds is er de geur
die je niet ziet
Van langzaam vallend water

slurpt de uitgebouwde
weggespoelde klanken op
Witgepunte tong, hoe wit

valt niet te raden. Ik krimp
en waag mij nader


3

Een gorilla die schreeuwt
gooit alle monden open
Tussen de schaduw en de boom
de bons op de ruit –

een antwoord op het staren


 frb

Uit: Grenswacht. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam  1987

De witte gorilla, ook wel Sneeuwvlokje genoemd, overleed in 2003 op 39-jarige leeftijd in de Zoo van Barcelona.


15-03-2020

Aldus de schrijver (51)

 


"Zo stel ik mij de kunstenaar Toon Teeken voor.  Als hij zijn eigen zitters kiest en hen schildert van uit zichzelf. Zijn portretten van overleden of onbereikbare schrijvers, filosofen, dichters, componisten, kunstenaars openbare zich vanuit een lege ruimte. Zitten is hier figuurlijk, er wordt niet gezeten alleen maar zichtbaar gemaakt, oog in oog met de zwarte gaten van tijd en ruimte. Het zijn daarom eerder multiportretten dan dubbelportretten waarvan het de vraag is wie wat spiegelt. Spiegelt een allen of allen een? In de loop der jaren is de reeks uitgegroeid tot een hoogst persoonlijke Ahnengalerie van ongeveer 100 portretten, van Franz Kafka tot James Joyce, van Gerrit Kouwenaar tot Jorge Luis Borges. Voor Teeken zijn zij op myriaden manieren met elkaar verbonden, vormen zij een netwerk van onzichtbare correspondenties en diepe zielsverwantschappen."

 
Lex ter Braak in Portret als Dubbelportret – Toon Teeken
Uitgeverij Huis Clos 2014.

Afb. boven: Antonin Artaud, 2011, 55 x 40 cm. 
Afb. beneden: de Griekse dichter Konstatínos Kaváfis (1863-1933), 2010, 70 x 50 cm, particuliere collectie.



12-03-2020

Aldus de schrijver (50)


"De mensen op deze wereld vervelen zich dood, zo hartgrondig dat ze niet beter meer weten. Ze gaan naar bed, vallen in slaap, staan op, wandelen een stukje, eten, schrijven, ze slikken, halen adem en schijten als een machine de hele toonladder af, als iemand die er zich al bij heeft neergelegd dat hij onder de zoden ligt en die aan het landschap is overgeleverd als een slaaf die men op het schavot aan zijn afgebeulde lichaam heeft vastgebonden en blootgesteld aan praatjes, goedemorgen, goedenavond, hoe gaat het, mooi weertje niet, een beetje regen zal de aarde goed doen, wat zijn de nieuwsberichten, waarom kom je niet een kopje thee bij me drinken, triktrak spelen, jeu de boules, kaarten, dammen of schaken, maar daar gaat het nu niet om, ik bedoel: dat definieert niet de weerzinwekkende wereld waarin we leven. Wat ons leven definieert is dat men al onze percepties en impressies gedistilleerd heeft en dat we alleen nog mondjesmaat kunnen beleven, dat we de lucht van het landschap alleen van bovenaf en opzij kunnen inademen en de liefde alleen nog van buitenaf kennen zonder haar van binnenuit te kunnen ervaren. En dat wil niet zeggen dat de ziel van liefde niet meer bestaat."

[Fragment uit brief gedateerd 9 oktober 1945]

Antonin Artaud, Brieven uit Rodez. Vertaald en van een nawoord voorzien door Jules Dister. Uitgeverij Helwegen, Maastricht 2020.

10-03-2020

Aldus de schrijver (49)


Schrijver Willem Brakman in een interview, afgenomen door 
J. Heymans (3):

"Van nature ben ik een enorme melancholicus, maar die gevoelens moeten wel ergens in een dialoog verschijnen om je staande te houden. Melancholie moet gedrapeerd zijn in het vermogen om er überhaupt mee op te houden. Proust verscheen soms midden in de nacht bij zijn vrienden in Parijs, lijkbleek, doodmoe en dan begon hij te praten. Hij was, aldus Cocteau, te moe om er mee op te houden. Hij praatte maar door. Die drang – een prachtig beeld.
Stel dat je aan mij zou vragen: wat is in Godsnaam een schrijver? Dan zou ik zeggen: een schrijver is iemand die aan de hand van de kleinste gebeurtenissen de grootste ervaringen oproept; en een leuterpot is iemand die uit allerlei geweldige gebeurtenissen praktisch geen ervaring peurt. In ieder geval schrijf ik om mezelf, om te bekennen, bijna christelijk, maar ik schrijf ook om gekend te zijn en bemind te zijn... nee, om gekend te zijn en toch bemind."

Als introvert schrijver legt u al vele jaren een ongekende productie aan de dag. Is het schrijven een vorm van verslaving voor u?

"Schrijven is geen bezigheid, het is een toestand, beantwoordend aan mijn introverte grondstemming. Als je schrijft, dan moeten de fysieke omstandigheden optimaal zijn ten einde – om met Proust te spreken – de fijnste rimpels van de inval niet te missen. Daarom ben ik ook zo buitengewoon gevoelig voor geluiden. Ik word heel makkelijk gestoord. In dit verband is het meest verschrikkelijke geluid dat ik ken: dichtslaan van een autoportier. De digitale mens kan geen openstaande deuren meer verdragen. Een portier is open of dicht. Boem! Vreselijk! Daarom draag ik dikwijls oordopjes. Ik ben er bijna mee vergroeid. Het is wel 's gebeurd dat ik tijdens een optreden riep: 'Kunt u niet wat harder praten?' Was ik mijn oordopjes vergeten uit te doen!"

Willem Brakman in J. Heymans, Geest en stof. Uitgeverij Flanor, Nijmegen 2020

08-03-2020

Aldus de schrijver (48)


Schrijver Willem Brakman in een interview, afgenomen door 
J. Heymans (2):

"Je weet dat Tolstoi beweerde als klein kind niets van de natuur te hebben geweten, haar eenvoudigweg niet te hebben opgemerkt. Hij kon er zich niets van herinneren, geen bloem, geen blad. Dat herken ik in mijzelf, maar ik herinner me ook dat dit somnambule veranderde, het moment van de stap achteruit en het wel zien en opmerken. Dat was een intens verdrietige tijd, een ziekmakende distantie tot thuis, moeder, tantes, de buurvrouw, de hele onvoorstelbare geborgenheid, ook het opeens rondlummelen van mijzelf, want die was tenslotte niet minder natuur. Ik ontwikkelde een merkwaardig ritueel in die tijd, kroop onder een tafeltje dat ik luchtdicht had afgesloten met kleden en staarde daar in de schemer uren lang voor mij uit en niets minder dan dat. Daar broeide alles wat me zou blijven vergezellen, een onstilbaar heimwee, een onblusbare melancholie, en een bijna metafysische vreemdheid ten opzichte van de werkelijkheid. Onverbiddellijk trouw aan iets wat ik wel degelijk had bezeten kwam ik aan de 'anderen' niet toe en werd een dwaler aan de periferie, met een lichaam zwaar van onwil en nieuwigheid, en een lopende geest. Zo te zien een rustige staarder maar wel een die bijzonder veel zag en met grote tegenzin. Dat laatste komt in al mijn boeken voor, in allerlei gestalten en vertalingen loopt het mee. Om het kennende element erin, dat veelziende gluren vooral, zou ik dat lichamelijk geest willen noemen."

Willem Brakman in J. Heymans, Geest en stof. Uitgeverij Flanor, Nijmegen 2020


06-03-2020

Aldus de schrijver (47)


Schrijver Willem Brakman in een interview, afgenomen door 
J. Heymans (1):

"Onlangs schreef ik in De Gids een stukje over een object, een sardineblikje dat ik door de redactie kreeg toegestuurd. Daarin verwijs ik naar Kafka die zijn eigen sterven droomt en wakker wordt... en dat beroert hem diep. Er zit iets absurds tussen deze en gene zijde, tussen weten en vergeten. Beschouw ik dat sardineblikje in een museum als een object van kunst, dat gaat dat aan het gewone begrijpen voorbij. Het houdt iets ongrijpbaars, iets onverstaanbaars. Vandaar dat ik in de laatste zin van dat stukje opmerk dat ik nog een zwak auratisch licht zie hangen over de lusteloze naar koffie verlangende sloffers in een museum. Het niet-begrijpen is zo ongeveer de laatste hoop die ons is bijgebleven in een door en door gerationaliseerde wereld waarin alles met een druk op de knop afroepbaar is. Dat heeft voor mij iets bekoorlijks. Gelukkig blijft er nog iets over wat we niet kunnen begrijpen. Met al onze computers en menu's lopen we toch nog ergens te pletter."

Willem Brakman in J. Heymans, Geest en stof. Uitgeverij Flanor, Nijmegen 2020


03-03-2020

Aldus de schrijver (46)


"Hoe groot de liefde is die de natuur ons heeft gegeven ten opzichte van onze gelijken, kan men opmaken uit datgene wat alle dieren en alle kinderen zonder levenservaring doen als ze ineens in een spiegel met hun eigen beeltenis geconfronteerd worden. Omdat ze er een wezen in zien dat aan hen gelijk is, worden ze woedend, raken ze buiten zich zelf en proberen ze op alle mogelijke manieren dat wezen kwaad te doen en te vermoorden. Tamme vogeltjes stoten, hoe zachtaardig ze ook zijn door karakter en opvoeding, tjilpen met met uitgespreide vleugels en open bek driftig tegen de spiegel aan en proberen die te beschadigen. En een aap gooit hem als hij kan op de grond en trapt hem met zijn poten aan scherven."

Giacomo Leopardi, Gedachten. Vertaald uit het Italiaans door Frans van Dooren. Uitgeverij De Arbeiderspers (reeks privé domein), Amsterdam 1976

27-02-2020

'Iets dat zo bestaat'



Iets dat zo bestaat

Iets dat zo bestaat, ver-
blind in damplicht aanroept
verschijnen wil. Het is
de glans van je haar, mijn hoofd
dat sluimeren wil naast je
vuurzee, zich oppakt
uit de duisternis. In de wasem
van je adem het zonlicht
in je mond gereed
ons lijf dat splijt en stijgt
verdwaasd het antwoord geeft: ja –
iets wil ik bewaren voor
ik straks verdwijn, beschaamd
voor mijn gebaren, de teerheid
van bestaan – de golven in je schoot
wiegen wij dit leven
tussen liefde naar de dood.


 frb

Uit: Nachtdroom, Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1989


23-02-2020

De eerste alinea (96)


"We hebben mijn moeder begraven met al haar spullen: de blauwe jurk, de zwarte schoenen zonder hak en de multifocale bril. Op een andere manier konden we geen afscheid van haar nemen. We konden die kledingstukken onmogelijk los van haar zien. Dan was het geweest of wij haar onvolledig teruggaven aan de aarde. We begroeven alles, omdat er na haar dood niets meer voor ons overbleef. We hadden elkaar niet eens meer. Zij in haar houten kist; ik in een stoel zonder armleuningen in de vervallen rouwkapel, de enige die beschikbaar was van de vijf of zes die ik had bezocht om de dodenwake te houden en die ik maar voor drie uur kon afhuren. Wat de stad vooral had waren ovens. Mensen werden er in- en uitgeschoven als de schaars geworden broden bij de bakker en dwarrelden met de herinnering aan de honger zwaar neer op ons geheugen."

Uit: Karina Sainz Borgo, Nacht in Caracas. Vertaald uit het Spaans door Arie van der Wal. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2020


19-02-2020

'Monding'


Monding

Denk ik aan toen zij uit
de verte kwam, de kille
nevel voor haar uit. Zij bestond

het ogenblik – het dak
had nog geen huis, de avond
nog geen gronden. Bleef
het schuiven van dezelfde vloed

de stroom die zich al mondde

tussen banken ver rondom
toen zij klaar en waardig, wijd
de zee inrolde – daar deed of zij begon


 frb


Uit: De onderwaterwind. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1991



16-02-2020

Aldus de schrijver (45)


Aan Emilie Fontane
                                                                                  Berlijn, 25 januari 1859

"Mijn lieve, goede vrouw,

Men wordt nu toch tot de oudjes gerekend, men wordt sentimenteel, weemoedig en houdt zich bezig met vrouw en kinderen. Misschien is het niet zo erg, misschien heeft men slechts een onpasselijkheid en allerlei nerveuze indigestie onder de leden, en omdat er niemand is die een warme kruik in bed legt, sweet spirit of nitre toedient en pruimedanten kookt, kankert men op het ongemak van het heden en wordt men sentimenteel.
Ik voel me hier toch een beetje vreemd, maar dat is mijn schuld, niet de schuld van de mensen. Ze zijn eigenlijk allemaal vriendelijk, tegemoetkomend en onveranderd, en wanneer ik me daarbij toch niet helemaal lekker voel, dan ligt dat waarschijnlijk aan het feit dat mijn lichaam toch niet helemaal opgewassen is tegen al deze inspanningen. En wat heb je aan de liefde van de hele mensheid als je kiespijn hebt of migraine?"

Uit: Theodor Fontane, Brieven. Uit het Duits vertaald door Tinke Davids. Uitgeverij De Arbeiderspers (reeks privé-domein), Amsterdam 1991


13-02-2020

Aldus de kunstenaar (29)



Rudi Fuchs: 'Waar komt jouw repertoire vandaan?'
Karel Appel: 'Ik zoek meer dan alleen ritme, mooie kleurvlakken of atmosfeer, want dat zit er altijd in. Maar ik wil meer, ik wil ook het sentiment schilderen. Mijn verbeeldingskracht is meer dan de verbeeldingskracht van een aap. Ik heb geschilderd als een aap. Het aapstadium zit in al mijn werk. Mijn eerste lik is het aapstadium, vanuit het aapstadium groei ik naar een intellectueler aapstadium, dat zijn dus de lijnen: het ritme. Van dat aapstadium groei ik naar de mens toe, want dat is uiteindelijk mijn verbeeldingskracht. Het heeft dan niets meer te maken met de realiteit, maar toch is de wereld erin aanwezig – want we herkennen mensen, dieren, planten, noem maar op.'


Uit: Karel Appel. Ik wou dat ik een vogel was. Berichten uit het atelier. Samengesteld door R. H. Fuchs. Haags Gemeente Museum / Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1990


09-02-2020

Aldus de schrijver (44)


"De tekens die beeldhouwer Johan Tahon gebruikt zijn relatief eenvoudig. Het zijn allereerst lichamen met een hoofd. Naast zweven of staan zijn het draaiingen en houdingen die het kijken naar deze lichamen tot een fysieke ervaring maken. Vooral de draaiing van de hoofden ten opzichte van de torso is hier een centrale drager van expressie, waardoor sommige beelden een hiëratische, ander eerder een gevoelige indruk maken. Deze mens- of dierachtige werken leiden de beschouwer naar een wereld aan gene zijde van de rationaliteit, hoewel – en dat is hun kwaliteit – ze zich in de werkelijke ruimte bevinden. Deze schijnbare tegenstelling wordt opgeroepen doordat ze niet handelen, niet op oogcontact uit zijn, en door de veelal grote formaten ver van ons af staan, en tegelijkertijd door hun houdingen empathisch waargenomen kunnen worden. Voor de kunstenaar zelf bestaat er een persoonlijke psychologische en onderbewuste component en hij nodigt zijn publiek uit om eigen inhouden te ontdekken. Ook in deze samenhang behoort Tahon tot de erfgenamen van Johan Beuys, want met het irrationele dringt hij binnen in een overgerationaliseerde wereld, waarbij hij niet een persoonlijke iconografie maar de mogelijkheid van collectieve en individuele wensen en dromen centraal stelt." 


Uit: Arie Hartog, 'Het lezen in samenhang. Nadenken over Johan Tahon'. Opgenomen in Johan Tahon, Adorant. Uitgeverij Lannoo nv, Tielt 2016

Werken van Johan Tahon zijn ook op diens website te vinden.


06-02-2020

De eerste alinea (95)


"Op 13 december 1943 werd ik door de fascistische militie opgepakt. Ik was vierentwintig; ik bezat weinig gezond verstand, niet de minste ervaring, en een uitgesproken hang (nog versterkt door de uitsluiting uit de maatschappij waartoe de rassenwetten me sinds vier jaar veroordeelden) om in een eigen, nauwelijks reëel te noemen wereld te leven, die bevolkt werd door beschaafde cartesiaanse hersenspinsels, oprechte mannelijke vriendschappen en bloedeloze relaties met meisjes. Ik koesterde een gematigd en abstract gevoel van opstandigheid."


Uit: Primo Levi, Is dit een mens. Vertaald uit het Italiaans door Frido De Matteis–Vogels en Meulenhoff Nederland. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam, tweede druk 1987


02-02-2020

Aldus de wetenschapper (3)


"De nachtegaal is de kampioen van de zangvogels. Zijn prachtige zang heeft mensen tot tranen toe bewogen, dichters in vervoering gebracht en vogelvangers naar het bos gedreven om hem te vangen. Met zijn bijna ontroerende trillers en aangrijpende pauzes weet hij mensen echt te raken. Het verlangen om zijn lied te bezitten, leidde ertoe dat hij eeuwenlang gevangen werd en in grote aantallen werd opgesloten. Eenmaal gekooid, viel er aan een nachtegaal echter weinig plezier te beleven: de meeste stierven na een, twee dagen, en de weinige die het wel overleefden, zongen alleen een paar weken in de lente.
Met de kanarie lag het stukken eenvoudiger. Hij was tam, kon makkelijk in gevangenschap worden gekweekt en zong het hele jaar door: luid, vrolijk en gevarieerd. Maar hij haalde het natuurlijk niet bij de nachtegaal. Om het beste van twee werelden te verenigen, droomden vogelhouders er al sinds de middeleeuwen van om nachtegalen en kanaries met elkaar te kruisen. Ondanks een aantal stoutmoedige pogingen is ze dat echter nooit gelukt."


Tim Birkhead, De wijsheid van vogels. Vertaling uit het Engels: Ed' Korlaar en Joop Hart. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2008