17-01-2019

De eerste alinea (79)


"Ik open de avondkrant van gisteren, daarin staat iets over ons tweeën. Er staat dat in het begin opnieuw het woord zal zijn. Maar vooralsnog wordt er in de scholen als vanouds op gehamerd dat er eerst een grote explosie is geweest en dat alle materie alle kanten op is gevlogen."


Uit: Michaïl Sjisjkin, Onvoltooide liefdesbrieven. Uit het Russisch vertaald door Gerard Cruys. Uitgeverij Querido, Amsterdam 2013

10-01-2019

De eerste alinea (78)


"Een tijdlang was ze er niet zeker van of haar man wel haar man was, min of meer zoals je, in de halfslaap, niet weet of je denkt of droomt, of je geest nog stuurt of die door oververmoeidheid bent kwijtgeraakt. Soms geloofde ze van wel, soms van niet, en soms besloot ze niets te geloven en gewoon verder te leven met hem, of met degene die op hem leek, die ouder was dan hij. Maar zijzelf was ook ouder geworden tijdens zijn afwezigheid, ze was heel jong toen ze trouwde."

Uit: Javier Marías, Berta Isla. Uit het Spaans vertaald door Aline Glastra van Loon. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2018


05-01-2019

Aldus de schrijver (13)


"De Duitsche romantici hadden een groote liefde voor de natuur. Maar zij hielden van haar op eenzelfde wijze als de held in een roman van Toergenieff van dat meisje hield, van wie hij zegt 'Sophie beviel mij vooral, als ik met den rug naar haar toe zat, dat wil zeggen, wanneer ik aan haar dacht, wanneer ik haar in den geest voor mij zag, 's avonds vooral op het terras...' Misschien heeft slechts een van hen haar recht in het gelaat gekeken: Philipp Otto Runge, de Hamburgsche schilder, die het Nachtegalenboschje heeft gemaakt en De Morgenstond. Nooit meer is het groote wonder van zonsopgang zo geschilderd. Het groeiende licht, dat stil en stralend tot de sterren klimt, en, onder op de aarde, het koolveld, nog geheel doordrenkt van het diepe, benauwde donker van de nacht, waarin een naakt kindje – de morgen – is gebed. Hier is alles gezien en nog eens gezien. Men voelt de vele koele morgens en men ziet den schilder al opstaan voor de zon opging, en trillend van verwachting, naar buiten gaan om elk tafereel van het machtige schouwspel te zien en niets te missen van de spannende handeling, die daar begon."

Rainer Maria Rilke, Het landschap. 
Uit het Duits vertaald door A.A.M.S.
Uitgeverij A.A.M. Stols, 's Gravenhage 1944


29-12-2018

Aldus de schrijver (12)



"Daarom geloof ik dat literatuur een brug is tussen volkeren. En dat zich inleven in iemand een tegengif tegen fanatisme kan zijn. (...) Verbeeld je echt eens hoe de ander liefheeft, doodsangsten uitstaat, boos is of gepassioneerd. Er is te veel vijandschap tussen ons, te weinig nieuwsgierigheid."

Amos Oz (4 mei 1939–28 december 2018) bij de uitreiking van de Prince of Asturias Prize for Literature in 2007.


28-12-2018

H.C. ten Berge tachtig jaar



Zutphen. Oude IJsselbrug
voor H.C. ten Berge

Hoe in de nacht even voorbij de stalen brugwanden
brede kransen licht in cadans op het water deinen,

bladeren en takken onder het dek voorbijtrekken, 
flarden van wat is zoekgeraakt in verre achtertuinen.
Even later wringt het water zich in een bocht, wordt
spiegel voor de maan, dansvloer voor jubelende sterren.

Niet te stuiten noordwaarts gaat het tussen landerijen
en huizen door, want nooit is hij alleen, deze ratelende
stroom, nooit verdwaalt hij, alle dagen ijverig voorwaarts
brengt hij stemmen mee, galm van klaterende klanken.

Schuilend onder de brug de nachtelijke roeier, licht ontdaan, 
mistroostig misschien, maar niet getergd, eerder eenzaam 
wachtend op het voorbijtrekken van een snerpende wind,

niet wetend van de schrijver wat kilometers verderop bij wie 
in nachtelijke dromen beelden van ooit gemaakte reizen
binnensijpelen, uitstromen in een niet te stuiten vloed.

frb


Afgelopen maand werd H.C. ten Berge 80 jaar. Zowel Poëziekrant nummer 6 van november-december 2018 als De Gids nr. 2018/6 besteden deze maand veel aandacht aan Ten Berges verjaardag door middel van interviews en beschouwingen. Beide literaire tijdschriften namen daarbij recent geschreven gedichten van hem op.

Foto boven: © Wim Bannink



24-12-2018

De eerste alinea (77)


"Het is niet zo dat wonderlijke of bovennatuurlijke gebeurtenissen zeldzaam zijn, ze komen vooral onregelmatig voor. Zo kan er een eeuw lang geen enkel noemenswaardig wonder gebeuren, terwijl ze het volgende moment in groten getale voorvallen; dan zwermen er plotseling allerlei soorten monsters over de aarde, vlammen kometen aan de hemel, doen zonsverduisteringen de natuurwereld beven, regent het meteoren, verleiden zeemeerminnen en sirenes passerende schepen, slokken zeeslangen ze op en teisteren afschuwelijke rampen de mensheid."

David Garnett, Vrouw of vos. Uit het Engels vertaald door Irwan Droog. Uitgeverij Cossee, Amsterdam 2018


21-12-2018

Het dierenbestaan (5)



Ontroerend is het gedicht ‘Hond met bijnaam Knak’ van Jan Hanlo. De dichter schreef het om zichzelf te troosten, neem ik aan.

Hond met bijnaam Knak

God, zegen Knak
Hij is nu dood
Zijn tong, verhemelte, was rood
Toen was het wit
Toen was hij dood
God, zegen Knak
Hij was een hond
Zijn naam was Knak
Maar in zijn hondenlichaam stak
Een beste ziel
Een verre tak
Een oud verbond
God, zegen Knak


Door God erbij te halen brengt Hanlo de hond meteen op een hoger plan. Voor even wordt al het andere in een mensenleven ondergeschikt gemaakt aan het afscheid van een dier. De rust die met het uitspreken van de laatste regel over het geheel is gekomen, stemt tot een zekere overgave. De hond heeft uiteindelijk zijn grote baas gevonden.
 

Zelf schreef ik jaren geleden op verzoek voor de toen nog bestaande kinderbijlage van het weekblad Vrij Nederland onderstaand gedichtje. Kunstenaar P. ter Mors maakte er een tekening bij die me erg dierbaar is geworden: we zien onze dode poes Marra, na haar dood vakkundig opgezet en op een plank met wieltjes geplaatst…

 

Mijn kat is dood. Stil
is het. Haast winter. Breekbaar

gaat haar spoor nog door. Zo ver
is zij nog nooit gegaan.

Stokstijf lig ik wakker, vecht
als ik een vogel hoor.

Ik ken dat lied. Mijn kat is dood.
Plots kom ik daarachter.


 

Uit: Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999


20-12-2018

Het dierenbestaan (4)


Charles Beltjens, een in 1832 te Sittard geboren dichter die in het Frans schrijft, heeft vele jaren eerder al dezelfde gedachten in deze Jardin des Plantes: ‘Le condor captif’, de gevangengehouden condor, noemt hij zijn gedicht, een heel boek bijna, waarin hij zich oog in oog voelt staan met deze vogel uit de Andes die hij ziet wegkwijnen in een Parijse kooi.

Mens en dier – lang niet altijd zijn het odes. Jan Hanlo bijvoorbeeld heeft het niet zo op kamelen begrepen. In ‘Naar Archangel’ noteert hij: ‘Ik kan / Kamelen / Uw lucht / Niet velen.’
De Amerikaanse kunstenares Nancy Graves maakte eind jaren zestig twee kamelen, een Afrikaans exemplaar en een uit Mongolië. Ze staan in het Ludwig Forum in Aken. Ik reik over het touw dat de beesten afschermt, steek mijn neus in de vacht. Dode kamelen hebben een museumlucht. Is het daarom dat Marcel Broodthaers in 1974 een van de Antwerpse Zoo geleende kameel het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel binnenleidde in het kader van zijn installatie ‘Un jardin d’hiver’?
 

Ik blijf even op de grens van dood en leven. Toon Tellegen heeft het moeilijk met het gedomesticeerde roofdier kat als hij geconfronteerd wordt met de gruwelijke moord op de kanariepiet. De dichter brengt zijn emotionele ervaring in een gedicht onder:

Thuisgekomen stond alles open, lag alles
op de grond,
papieren scherven, de gele veren van een vogel.
Wij verloren elkaar niet meer uit het oog.



Bertus Aafjes schrijft heel teder over een meeuwenschedeltje op een vensterbank:

(...)
Het snaveltje van helder been
wijst naar verdwenen verten heen.
eens was het anders, machtig schoon
toen voerde het de boventoon,
toen stond het in een snel verband
met zee en storm en duin en strand,
toen kreet het boven alles uit
zijn onaantastbaar geluid
(...)


 

Uit: Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999

18-12-2018

Het dierenbestaan (3)


Parijs 1902. Rainer Maria Rilke – op een zonnige herfstdag op weg naar de dierverblijven in de Jardin des Plantes – kijkt sinds kort met de ogen van Rodin naar de wereld die hem omringt. De meester-beeldhouwer had hem immers geleerd ‘wie ein Maler oder Bildhauer vor der Natur zu arbeiten, unerbittlich begreifend und nachbildend.’
En de dichter komt ogen tekort. Diezelfde zomer van dat panterjaar schrijft hij enthousiast aan zijn vrouw over een gipsafdruk van een tijger die Rodins atelier siert, zo sterk en gedetailleerd dat je er niet omheen komt of de gipsen tijger en de gekooide panter vloeien die dag in de Jardin des Plantes op Rilkes netvlies ineen. De beeldhouwer had nog snel een ‘autorisation d’artistes’ voor hem geregeld, waardoor hij al voor elf uur de dierentuin mocht betreden.
Een week later is er het gedicht:

Der Panther
Im Jardin des Plantes, Paris 

Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
so müd geworden, daß er nichts mehr hält.
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe
und hinter tausend Stäben keine Welt.

Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
in der betaübt ein Großer Wille steht.

Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
sich lautlos auf –. Dann geht ein Bild hinein,
geht durch der Glieder angespannte Stille –
und hört im Herzen auf zu sein.

----------------
De panter
In de Jardin des Plantes, Parijs

Zijn blik is van het langsgaan van de stangen
zo moe geworden dat hij niets meer ziet.
Wel duizend stangen houden hem gevangen
en meer dan duizend stangen is er niet.

De zachtheid van zijn lenig sterke pas
die steeds de allerkleinste kring beschrijft,
is als een dans van kracht rondom een as
waarin een machtig willen is verstijfd.

Niet vaak meer trekt het scherm voor zijn pupillen
geluidloos op –. Dan gaat een beeld erdoor
naar binnen, glijdt door het van spanning stille
lijf naar zijn hart – en gaat teloor.

(vertaling Peter Verstegen)

De panter als afgezonderd dier, geïsoleerd, gekooid. Een gedicht met onverwacht perspectief, niet de blik van het dier gaat langs de tralies, maar de tralies schuiven langs zijn blik heen en weer. Het object, hier de panter, wordt zoals Rodin Rilke heeft voorgehouden ‘door haarscherpe observatie in zijn eigenlijke wezen doorgrond en zonder toedoen van een dichterlijk Ik uitgebeeld.'
In het gevangen dier zien wij vooral ook onszelf, onze eigen bewegingen, gevangen in welk stelsel dan ook. 

Uit: Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999 

Afbeelding boven: 'Panthère couchée' van August Gaul (1869-1921), steen.



16-12-2018

Het dierenbestaan (2)


‘Ich habe Hymnen die ich schweige,’ dichtte Rilke, dezelfde die het gedicht ‘Der Panther’ schreef. Mijn leraar Duits declameerde het op de meest onverwachte momenten in de les, bij klassenfuiven zong hij steeds dezelfde regels 's avonds aan de bar: ‘Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe / und hinter tausend Stäben keine Welt.’
‘Rainer Maria Rilke!’ riep hij er steevast achteraan.
Precies aan te geven is het nooit, maar ik stel mij zo voor dat Rilke, moe van het schrijven, november 1902 zijn huis verlaat in de Parijse rue de l’Abbé de l’Epée, zijn hoofd alleen nog maar bij de studie over het werk van Auguste Rodin die hij die maand aan het voltooien is. Een week eerder schreef hij aan de beeldhouwer: ‘Mijn dierbare Meester. Vanaf mijn aankomst hier in Parijs bestond er voor mij niets anders dan uw werk: het is de stad waarin ik leef, het is de stem die ik hoor en de stilte die mij omringt, de hemel van mijn nachten van arbeid.’
Rilke steekt de rue Gay-Lussac over om via de kronkelige straatjes van het vijfde arrondissement de rue Geoffroy te betreden, dezelfde straat die in 1826 zwart van het volk stond toen letterlijk de grootste ster van de Jardin des Plantes zijn laatste schreden in vrijheid zette: een kolossale giraffe die de weg naar zijn definitieve verblijfplaats te voet vanuit Marseille had afgelegd. Dat was nog eens spektakel toen het dier tussen volières met roofvogels, langs het halfronde fazantenpark eerst de pistacheboom half ontbladerde en vervolgens een bijna 125-jarige Kretense esdoorn te lijf wilde gaan. Alleen de rijzige ceder, jaargang 1734, vastgeworteld in een glooiing van de romantische heuvel, leek veiliggesteld voor het alsmaar schichtiger wordende dier dat stap voor stap de weg vervolgde die zijn bewakers voor hem hadden uitgezet: eerst langs de botanische school, dan de alpentuin door, langs studiezalen en galerieën met hun glazen potten, volgepropte vitrines, organen op sterk water, hun stoffige zalen met stenen en mineralen, giftige insecten en doodskopvlinders, monsters en fossielen – waaronder de Mosasaurus Maestrichtensis uit de Sint-Pietersberg.
Even voorbij de kooien van panters en sabeltijgers, in de luwte van enkele scheefgegroeide platanen, kreeg de giraffe onder groot applaus zijn plaats op een van de mooiste plekken van de Ménagerie. Tout Paris was erbij – en rouwde toen wat jaren later de Afrikaanse reus niet langer meer de weg aangaf voor wie verdwaald was tussen de taxushagen van het labyrint.


Uit: Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999.




14-12-2018

Het dierenbestaan (1)


Over de panter van Rilke en de hond van Hanlo (1)

In de dagen dat kunsthistoricus Prof. Dr. J. J. M. Timmers de laatste hand legde aan het naderhand klassiek geworden Symboliek en Iconographie der Christelijke Kunst – hij nam er ook de panter in op – werd ik, naar mij later is verteld, een paar straten verderop zorgelijk uit de drogisterij van mijn vader gedragen, het trappenhuis door, het kinderledikant in, waar later op de middag de huisarts een lichte hersenschudding vaststelde. Ik was twee; mijn contact met de wereld had ik die zondag, even weg van de rokken van mijn moeder, willen vergroten door ongezien de etalage te betreden en op de grote spiegelruit te slaan. Geen glasscherven, wel een grote ravage: overal om  mij heen waren potten verf van het merk ‘Panter’ in beweging gekomen, vallend, rollend. Op elke pot stond een woest roofdier – als beeld van lenigheid en springkunst  angstaanjagend dichtbij – dat zich met een enorme sprong over mij heen in veiligheid bracht. Ik werd tegen de etalagevloer gedrukt, besprongen, zag in grote angst een rij scherpe tanden voorbijflitsen. Mijn eerste optreden tussen de panters, dieren die Timmers in zijn Iconographie in verband brengt met Christus’ verrijzenis. Ik citeer: ‘De panter ligt, wanneer hij verzadigd is, drie dagen in zijn hol. Daarna staat hij brullend op en verspreidt zulk een liefelijke geur, dat alle dieren er door aangelokt worden, behalve de draak die zich verbergt.’ 
Volgens Dante is die geur niets anders dan pure geilheid. 

Uit: Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999

Afbeelding boven uit L'Illustration van 7 augustus 1902: Kunstenaars aan het werk in de Parijse Jardin des Plantes.

13-12-2018

Gedichten op video (14)




Dichter (voor Remco Campert)

Een sprietje gras dat door een tegel breekt,
vertrapt door velen maar de enkeling
leunt op zijn wandelstok voorover – en ziet

de wilde manen van verschoten kameraden
recht uit de oorlog langs de Seine wapperen,
een volmaakt volledig bevrijde dinsdagmiddag in april,

en hij voelt de tijger in hem nog steeds de klauwen uitslaan
naar een lyriek waarin een opgewonden standbeeld vliegen kan
en man en muis, bij hoog en bij laag, de oude profetie beamen:

‘Dichter? Dichter gaat niet dood’. En elke keer voelt het alsof 
de grond onder hem wegvalt en hij toch blijft zweven, 
misschien omdat hij al die jaren niks verouderd is 

en het doek blijft weigeren over zijn stem te vallen, 
misschien omdat toch ooit één profetie uitkomen moet  
en altijd weer langs het lange smalle water,

altijd weer in sluimergouden lentemiddaglicht 
altijd weer zijn stille rimpelloze kreet weerklinken zal 
en dat hij altijd maar, dat hij voor altijd – en zie: 


hij richt zich weer op en loopt door.


'Dichter' is een hommage van Pierre Boksma aan Remco Campert.


10-12-2018

Gedichten op video (13)



Toen ik nog...

toen ik nog met hem
leefde en wij de wereld samen
maakten, wevend en rafelend
toen ik zijn oog bij me had
en zijn witte handen
toen heb ik de sneeuw gezegend
en in de regen gelachen.

toen ik de middagen in zijn kamer
doorbracht en in zijn lichaam
rondliep of neerzat, een boek las
of sliep, toen ik de weg van zijn oor
kende en de rivier van zijn ogen
binnenvoer toen ik met zijn handen
speelde en over zijn lippen liep
toen ben ik mezelf vaak tegengekomen
lachend en huilend of dingen zeggend.

maar,
bij het komen van de herfst is hij weggegaan
nu ben ik zelf niet meer want ik ben meegegaan
ik heb zijn handen een hand gegeven
ik ben in zijn ogen gevangen
ik ben in zijn oren verward
ik ben in zijn lichaam verdwaald
in zijn lichaam verdronken.



Hier te volgen op YouTube

Hans Lodeizen, Het innerlijk behang en andere gedichten. 
Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 1952


08-12-2018

De eerste alinea (76)


"Eind december 2015 liet de winter nog op zich wachten. Het werd Kerstmis, met dat ergerlijke klokkengebeier, en de mensen liepen nog steeds met korte mouwen en op sandalen, sommige blij met die dwaling van de jaargetijden, andere bezorgd om de opwarming van de aarde, terwijl achter de ramen met zilverkleurige rijp bestrooide kunstbomen verschenen, wat verwarring schiep onder de eekhoorns en de vogels. Drie weken na nieuwjaar, toen al niemand meer stilstond bij het achterlopen van de kalender, werd de natuur ineens wakker, schudde de herfstige slaperigheid van zich af en liet de zwaarste sneeuwstorm sinds mensenheugenis neerkomen."

Isabel Allende, De winter voorbij. Vertaald uit het Spaans door Rikkie Degenaar. Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam 2018.



30-11-2018

Beschouwingen over 'Zoveel nabijheid' (3)


In het tijdschrift ZIN (nr.13 / 15 nov.-12 dec. 2018) laat Erik Jan Harmens deze maand zijn licht schijnen over een gedicht uit de reeks 'Verval'. Klik op bovenstaande pagina's (of anders hier) en lees en denk met hem mee!

Lees hier het interview dat Hannie Rouweler afnam voor het cultureel webtijdschrift 'Barbarus'.

27-11-2018

Beschouwingen over 'Zoveel nabijheid' (2)


Boven (klik even op de foto!): recensie in 'De Limburger' van 20 november 2018.

Zie ook de bespreking van Elisabeth Francet op Geen dag zonder boek.

Huub Beurskens over Zoveel nabijheid op zijn log Nonnolles.

Bezoek Wim Noordhoek op zijn Avondlog en lees het gedicht 'Overgang'.

De Biblion-(v/h Ned. Bibliotheekdienst)-bespreking is ondermeer hier te vinden (scrol tot beneden).



21-11-2018

Beschouwingen over 'Zoveel nabijheid' (1)


Op zijn gerenommeerde weblog sfcdt ging Johan Velter tussen 17 en 21 november in vier artikelen in op de recent bij Meulenhoff verschenen dichtbundel Zoveel nabijheid. Dat alles onder de titel 'de vruchtbare akkers van frans budé'.
Wie later in de tijd de beschouwingen (nogmaals) wil lezen scrolt op het weblog helemaal tot beneden en typt in het balkje onder ARCHIEF de woorden vruchtbare akkers in. Daarna ontrolt zich elke beschouwing na een klik op de titel.

Op het weblog van schrijver, essayist en criticus Cyrille Offermans vindt u de inleiding die hij hield bij de presentatie van de dichtbundel.


20-11-2018

De eerste alinea (75)



" 'Waarom zou ik niet meer bij mijn dorp horen? Reken daar maar niet op. Kijk eens hoe trots je bent, arme Minet-Chéri, dat je sinds je huwelijk in Parijs woont. Ik moet altijd lachen als ik zie hoe trots Parijzenaars zijn dat ze in Parijs wonen, de echte omdat ze het gelijkstellen aan een adellijke titel, en de onechte omdat ze zich inbeelden dat ze in rang zijn gestegen. Dan zou ik me erop kunnen laten voorstaan dat mijn moeder op de Boulevard Bonne–Nouvelle is geboren! Kijk je eens apetrots zijn dat je met een Parijzenaar bent getrouwd. Nou ja, een Parijzenaar... Oorspronkelijke Parijzenaars hebben niet zulke sprekende gezichten. Het lijkt wel of Parijs ze vager maakt!' "

Uit: Colette, Sido. Vertaling uit het Frans: Kiki Coumans.
Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk 2018

16-11-2018

De eerste alinea (74)


"Een paar kilometer ten zuiden van Soledad stroomt de Salinas dicht langs de oever aan de heuvelkant en is het water diep en groen. Ook is het warm, want het is glinsterend over het gele zand in de zon gegleden voordat het de smalle poel bereikte. Aan de ene kant welven de gouden heuvels zich omhoog naar het krachtige en rotsige Gabilangebergte, maar aan de valleikant staan er bomen langs het water – wilgen, elke lente weer fris en groen, met tussen waar hun onderste bladeren samenkomen nog de restanten van de winterse overstroming; en platanen met vlekkerige, witte, achteroverleunende, dikke en dunnere takken die zich over de poel buigen. Op de zandoever onder de bomen ligt een dikke laag bladeren die zo broos zijn dat een hagedis ze alle kanten op laat vliegen als hij erdoorheen rent. 's Avonds komen er konijnen uit het struikgewas om op het strand te zitten, en de vochtige zandbanken zijn bedekt met de nachtelijke sporen van wasberen, en met de gespreide pootafdrukken van ranchhonden, en met de v-vormige hoefsporen van herten die in het donker komen drinken."

John Steinbeck, Muizen en mensen. Vertaling uit het Engels: Peter Bergsma. Uitgeverij van Oorschot, Amsterdam 2018