“Ze had een oud gezicht. Ze was oud. Maar het was het gezicht waar hij van hield. Waar hij tegen wilde praten, dat hij tegen hem wilde horen praten, waarvan de warme, bruine ogen zijn hart verwarmden, waarvan het lachen hem tot lachen verleidde, dat hij in zijn handen wilde nemen om het te kussen, dat hem ontroerde. Ze ontroerde hem. Haar zoektocht naar haar plek in het leven, de geheimzinnigheid waarmee ze haar schrijven omringde, haar hoop op laat succes, haar worsteling met de drank, haar liefde voor kinderen en honden – er lag veel onvervulds, veel onvervulbaars in wat hem ontroerde. Was ontroering een mindere vorm van liefde? Misschien, als ze alles was. Maar voor hem was zij niet alles. Als hij opstond van dat krukje, kon hij nooit berusten. Hij hield nooit op met wensen dat het anders zou worden. Maar hij was gelaten. Het was nu eenmaal zoals het was. Hij ging naar de woonkamer en ging op de bank zitten.”
Uit: Bernhard Schlink,De kleindochter. Vertaald uit het Duits door Marcel Misset. Uitgeverij Cossee, Amsterdam 2023
Een moeizame god op de rand van mijn bed,
zes engelen met vermoeide vleugels,
windkracht 10 en tegen de wind in gevlogen
over het wad, storm op zee.
In de nacht zie ik de lichten van de overkant,
kijk naar de engelen die mij lijken te kennen,
mijn deken willen lenen
en eigenlijk ook het bed
waarin ik toch niet kon slapen.
De god lijkt op de kapitein van de veerboot,
de konijnen die ik in het donker zag lopen
waren bang voor de jager, de vuurtoren
viel met zijn licht door de kamer,
maar verder was alles in orde.
2
Op het duinpad kwam ik mijn moeder tegen,
maar zij zag mij niet. Zij praatte tegen een andere
dame, en ik hoorde haar zeggen, iedereen
vindt mij hier aardig.
Dat zij echt was wist ik door het geluid
van het schelpengruis onder haar voeten.
Daarna zag ik ook mijn broer en mijn halfbroer
onderweg met hetzelfde verleden als het mijne,
chaos en onrust. De Noordzee
had wilde koppen,
het strand was verlaten. Mijn broers
waren doorzichtig.
Ik zag het pad door ze heen.
Nu zou ik een schat willen vinden,
een aangespoelde walvistand, of goud,
waardoor alles weer goed kwam.
3
Niet in ieders leven speelt een vuurtoren een rol,
maar wel in het mijne. Vandaag op dit andere eiland
naar de toren gelopen, regen, geschreeuw
van meeuwen. ’s Nachts mocht ik bij de wachter zitten,
die deed of hij nog bestond. Hij schreef het op,
een schip om de Noord, de windkracht. En ik zag
in het duister een licht tegen de golven, en dichterbij
wat hij schreef in een handschrift van vroeger.
Allang dood, hij. Alle zeeën bevaren,
alle havens gezien,
Archangel, Valparaíso, het gedicht van de scheepsarts.
Vier op, vier af, een nacht op de toren,
brik om de Noord,
stilte, roken, schrijven, stilte, het licht over het duin,
“Hij trok zijn knieën op tot zijn buik en hield zijn ogen open. Alles om hem heen was donker. De regen en de nacht hadden het bos uitgewist, en de novemberkou die aan zijn gezicht likte leek nog ijziger dan eerst. Het bed van naalden was modderig geworden. Om hem heen steeg een greppelgeur op. Hij rilde tot het eerste ochtendlicht, en toen de dag eindelijk verscheen, was het een kreupele, ellendige dag. Hij kroop uit de kuil. Met moeite stond hij op, zette een paar onzekere stappen. Het was alsof hij opnieuw moest leren lopen. Een melkachtig licht weekte de bomen een voor een los uit de duisternis. Door de nevel kreeg hij bij vlagen de indruk dat ze op hem afkwamen, als reusachtige beelden, rijdend op hun sokkel. In de lucht krabden de kraaien aan de buiken van de wolken. Hij probeerde de panden van zijn jas uit te wringen, maar zijn vingers waren te verkleumd, ze waren krachteloos. Hij verliet de den zoals je een vriend verlaat die je opeens koud laat, die niets meer voor je kan doen.”
Uit: Philippe Claudel, Een Duitse fantasie. Vertaald uit het Frans door Manik Sarkar. De Bezige Bij, Amsterdam 2021
“Het gras, het grind, het hek, het asfalt. Het gras, het grind, het hek, het asfalt. Het heeft nog niet gesneeuwd. Ik heb mijn nachtpon aan. Ik moet gewoon uit het raam staren, ik moet hier gewoon blijven staan tot ze komt. Het gras, het grind, het hek, het asfalt. Ik moet blijven staan, niet knipperen. Ik heb het koud.”
Ingvild H. Rishøi
Uit: Het verhaal over mevrouw Berg. Novellen. Vertaald uit het Noors door Liesbeth Huijer. Uitgeverij Koppernik, Amsterdam 2025
Steeds vaker schrik ik in de tram van mijn wekker die afgaat op iemand anders’ mobieltje, terwijl mijn eigenzinnigheid met mij meereist in mijn linnen tasje, massaproduct voor een eenling. Wat is universeel esthetiek eigenlijk méér dan de meest succesvolle marketingcampagne? De samenleving een lange, eensgezinde polonaise die enkel tot halt komt in de plaatselijke winkelstraat, omdat men daar teveel slentert. Nee, dan het sublieme. Dat magische mooie dat steeds tussen je vingers vandaan glipt en waar een beetje geesteswetenschapper een hele carrière op kan bouwen. Wat als het ongrijpbaar is omdat het niet bestaat? Wat als er tussen de regels door alleen een peilloze leegte ligt, een stilte waarin ik probeerde een gedachte te formuleren die dadelijk wordt volgeplempt met hermeneutische tekstverklaring?
Uit: Lieke Marsman, In mijn mand. Uitgeverij Pluim, Amsterdam|Antwerpen 2021
Als een wierookvat vol verlangen loop jij door de klaarlichte avond met het donkere lijf van de verschaalde nardus en een brandende begeerte in je blik.
In je mond draag je de melancholie van dode reinheid, en in de dionysische kelk van je buik de spin die de steriele sluier weeft om jouw schoot waaraan de rozen des levens, vrucht van de kussen, nooit ontloken.
In je witte handen draag je de streng van je voor immer gestorven illusies, en op je hart de hongerige passie van hete kussen en jouw moederliefde die wegdroomt naar wiegjes in rustige sferen waar lippen blauwe sprookjes spinnen.
Federico García Lorca, december 1918
Vertaald uit het Spaans door Robert Lemm. Opgenomen in 'De tweede Ronde', tijdschrift voor literatuur, herfst 1986
"Liefste Johanna, Vanochtend zei Simon bij zijn eerste, veel te vroege kop koffie dat hij me allang zou hebben verlaten als hij tien jaar jonger was en drie kinderen minder had. Een merel was bij het met nacht beslagen raam gaan zitten en tikte met haar snavel tegen het glas, alsof ze ons wilde waarschuwen en intomen, ons wilde afluisteren om het nieuwtje op deze lenteochtend snel naar haar vogelwereld te brengen, van tak naar tak, van twijg naar twijg, het te verkondigen aan lijsters en vinken die ernaar zouden pikken als naar een worm, hoort, hoort, nieuws uit Körberstraße 12, hoort, hoort!”
Uit: Zsuzsa Bánk, Slapen doen we later. Vertaald uit het Duits door Irene Dirkes en Lucienne Pruijs. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2020
Als een vergeten straathond die ronddoolt zonder reukzin, zonder richting, ja, als een kind dat op een kermisavond tussen de fonkelende feestverlichting,
de mensenmenigte en de lucht vol stof ontredderd rondzwerft en, eenmaal verdwaald, voelt hoe een schaduw van muziek en droefheid over zijn jonge hart is neergedaald,
zo ga ik voort, melancholiek en dronken, als dichter, lunatieke gitarist en arme ziel vol dromen, die onverpoosd naar God zoekt in de mist.
Uit: Antonio Machado, Gedichten. Uit het Spaans vertaald door Erik Coenen. Uitgeverij De Wilde Tomaat, Amsterdam 2020
“Alain staarde Lydia doordringend aan. Hij keek al zo sinds ze drie dagen geleden in Parijs was aangekomen. Waar wachtte hij op? Een plotseling inzicht in haar of in hemzelf. Lydia keek met wijdopen ogen terug, maar zonder felheid in haar blik. Al snel wendde ze het hoofd af, sloot haar ogen en verzonk in gedachten. Waarover? Over haarzelf? Was zij dat, die zelfingenomen woede die kolkte in haar borst en buik? Het duurde maar even. Het was al voorbij. En dus wendde hij eveneens zijn blik af. Het gevoel was hem ontglipt, ongrijpbaar als altijd, als een slang tussen twee keien.”
Uit: Pierre Drieu La Rochelle, Dwaallicht. Vertaald uit het Frans door Marijke Arijs. Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk 2024
Tevoorschijn komen verdwaalde trossen, purperviolet omlijst. Hoe het daarna geurt, dunne stengels kruipen, slingeren naar elkaar. Voor wie tegen de avond komt,
tussen plekken gele aarde zich vertreedt, groeit meteen het raadsel. Wat men nazoekt in de schemer, de lipbloemige, haar half kransstandige paarsheid, veelvuldig gedeelde
bladeren, verstuift tegen de morgen. Het wordt sluipen naar een vogelnest, begerig de berg opgaan, hoogten naar een bos. Naar de verste rand in grote laarzen.
Totdat het volstaat, men afstand neemt – waar ook alweer vandaan? En afdaalt naar
de velden. Met iele witte hoorntjes, haast doorzichtig, tast een wijngaardslak zijn route af.
“Geen repetitie die morgen, dus we bleven in bed liggen. Ik zette thee. We zaten rechtop met de kussens in onze rug en zochten op onze telefoons naar berichten over Mark. Ik weet niet precies waarom we die wilden lezen, dat je een beroemd iemand persoonlijk kent, maakt misschien dat je onderdeel wordt van het bericht, en als kijker wil je dat degene die het voorleest het belang ervan inziet en dat op adequate wijze weet te brengen. Het laatste onderwerp in het tv-journaal van gisteravond was ernstig van toon maar werd routineus gebracht gedurende vijfenveertig seconden door een jonge verslaggever die kennelijk niet beschikte over informatie uit de eerste hand. Het was confronterend om op die manier op de hoogte te worden gebracht van de dood van een vriend. Ik zette het geluid uit, Richard sloeg een arm om mij heen en we keken zwijgend toe toen het cricket begon en daarna het weerbericht.”
Uit: Alan Hollinghurst, Onze avonden. Vertaald uit het Engels door Ton Heuvelmans. Uitgeverij Prometheus, Amsterdam 2024
Wij wisten niet, toen wij die lange brieven schreven op papier, dat wij de laatsten waren die nog op die manier van elkaar hielden met langzaam overdachte woorden die we meenden.
Uit: Judith Herzberg, 111 Hopla’s. Uitgeverij De Harmonie, Amsterdam 2014
Het gedicht is opgedragen aan haar collega Ed Leeflang.
“En reeds drijft de sombere, krachtige westenwind – de zeewind, zoals Antoine zegt – de stemmen uiteen in de nacht. Even speelt hij ermee, daarna verzamelt hij ze en gooit ze weg in het wilde, grommend van woede. De stem die Mouchette zopas hoorde hangt lang tussen hemel en aarde, net als de dorre bladeren die eindeloos blijven vallen.” Uit: Georges Bernanos, Mouchette. Vertaald uit het Frans door Katelijne De Vuyst. Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk 2025
Waar moet ik toch mijn ziel bewaren dat zij niet langs de jouwe strijkt? Hoe draag ik haar over jou heen weer naar andere dingen? Hoe graag niet liet ik haar in iets verzinken, bracht ik haar onder ergens in de nacht, verloren in een vreemde stilte waar niets verdertrilt wanneer je dieptes klinken. Maar alles wat ons aanraakt, jou en mij, beroert ons samen als een strijkstok die twee snaren tot één melodie gebiedt. Op wat voor instrument zijn wij gestemd? En welke hand heeft ons omklemd? O teder lied.
Rainer Maria Rilke, 'Liefdes-lied' In 1997 uit het Duits vertaald door Menno Wigman.