18-01-2020

De eerste alinea (93)



"Toen de zestien jaar oude Karl Roszkamm, die door zijn arme ouders naar Amerika was gestuurd, omdat een dienstmeisje hem verleid had en een kind van hem gekregen had, op het al langzamer varende schip de haven van New York binnen kwam, meende hij het beeld van de godin der Vrijheid, dat hij al veel eerder had opgemerkt, plotseling in een veel helderder stralend zonlicht te zien. Haar arm met het zwaard scheen zij zojuist te hebben opgeheven en om haar gestalte woei vrij de wind."

Uit: Franz Kafka, Amerika. Em. Querido's Uitgeverij N.V., Amsterdam 1962


15-01-2020

Aldus de schrijver (42)


"Als ik Spaanse vrienden vraag of de Tachtigjarige Oorlog nog iets betekent is het antwoord meestal nee. Als ik ze vertel dat er in Nederland meer moslims naar de moskee gaan dan christenen naar hun kerken roept dat geen verbazing op, ook in Spanje loopt het kerkbezoek terug en is de macht van de kerk afgebrokkeld. Andere goden zijn ervoor in de plaats gekomen, iPads, smartphones, kunstmatige intelligentie, het gezag van algoritmes. Dat is in Spanje niet anders dan bij ons. Of het zo is dat het eigenaardige, eigene, langzaam van ons wordt afgeslepen, letterlijk de eigen aard, dat is de vraag. Herkent een Spanjaard van nu zich nog in de monniken van Zubarán, in een portret van de mystica Teresa van Ávila? Of om het heel anders, en in het verleden, te stellen, waarom zie ik overeenkomsten tussen het geniale portret van de heilige Serapion door Zurbarán en de dertig jaar later door Jan Asselijn geschilderde bedreigde zwaan? Wit is de grondtoon in beide schilderijen, een wit dat de angstige maar ook woedende furie van de zwaan laat rijmen met de weergave na het lijden van de dode monnik. Rembrandt schilderde zijn zoon Titus als een vrome, contemplatieve monnik in het bruin van een franciscaner habijt. Zou dat portret in een Spaans klooster uit de toon gevallen zijn? Een heilige die volgens de legende met vogels sprak zou van zijn eigen ingetogen lach niet geschrokken zijn. En had de mulatto Brighella van Frans Hals uit 1627 niet moeten lachen om de penetrant wijsgerige blik van de komiek Sebastián de Morra? Hals had een ander karakter dan Velázquez, maar had wel met de Spaanse schilder gemeen dat hij de mensen die hij schilderde in hun ziel kon kijken."
                                                        

Cees Nooteboom, 'Buiten de grenzen van de tijd. Kunst uit Spanje en Nederland'. Uit: Gregor J.M. Weber, Cees Nooteboom, Hans den Hartog Jager, Rembrandt / Velázquez. Nederlandse en Spaanse meesters. Een uitgave van Rijksmuseum, Amsterdam 2019

Afbeeldingen boven: links Jan Asselijn, De bedreigde zwaan, ca. 1650. Rechts: Francisco de Zurbarán, De heilige Serapion, 1628
Beneden links: Rembrandt, Titus in monniksdracht, 1660. Rechts: Velázquez, De 'bufón' El Primo (Sebastián de Morra), 1644

13-01-2020

De eerste alinea (92)



"Klokgelui, klokgebeier supra urbem, over de hele stad, in haar van klanken verzadigde hemel! Klokken, klokken, ze deinen en schommelen, golven en wiegen weids aan hun balken, in hun torens, met honderd stemmen, in een Babylonische verwarring. Zwaar en gezwind, dreunend en rinkelend, – daar wordt geen tijd gemeten, daar is geen harmonie, ze spreken tegelijkertijd en vallen alle elkaar in de rede, en ook zichzelf: de klepels galmen en laten het aangeslagen metaal niet uitgalmen, ze slaan hangend tegen de andere kant, in hun eigen galm, zodat wanneer nog 'In te Domini speravi' weerklinkt, ook al 'Beati, quorum tecta sunt peccata' galmt, maar daar tussenin klingelt het hoog van kleine torens, alsof de misdienaar het transsubstantiatieklokje luidt."

Thomas Mann, De uitverkorene. Vertaald uit het Duits door Tinke Davids. Uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen 1991


10-01-2020

Dmitri Sjostakovitsj aan het woord (slot)


Als de gezondheid van Dmitri Sjostakovitsj in 1975 snel achteruit gaat, en hij niet meer in staat is brieven te schrijven aan zijn goede vriend Isaak Davydovitsj, besluit de laatste hem regelmatig te bezoeken en aantekeningen te maken van hun gesprekken. Uit een van de laatste notities dit citaat:

“Zijn stem klonk mat en omfloerst. Plotseling werd ik bang. Maar ik putte moed uit zijn woorden, waar geen klacht in doorklonk, alleen vertrouwen dat hij gauw weer thuis zou zijn en daarna naar zijn geliefde Reino zou gaan.
Maar de dood die hij in zijn werk met zoveel verpletterende kracht had uitgebeeld, sloop onhoorbaar om hem heen en sloeg toe op 9 augustus, een dag voordat hij verwacht had naar huis te kunnen gaan.
Op 9 augustus werd ik voorgoed wees. Op die dag braken de gouden dagen die me meer dan veertig jaar met hem hadden verbonden.”


Dmitri Sjostakovitsj, Kroniek van een vriendschap. Brieven aan Isaak GlikmanUit het Russisch vertaald door Anne Stoffel. Uitgeverij Hoogland en Van Klaveren, Hoorn 2008




Dmitri Sjostakovitsj, Symphony No. 5 in D minor 

(Philippe Jordan, Proms 2013)

 

08-01-2020

Dmitri Sjostakovitsj aan het woord (4)


Moskou, 14 april 1963

Beste Isaak Davydovitsj,
    Op 13 april heb ik veel gedronken, ben in slaap gevallen en had bijna de trein gemist.
Waarschijnlijk heb je bij me aangebeld of geklopt, maar ik heb het niet gehoord. Neem het me in godsnaam niet kwalijk als dat inderdaad zo is.
Bovendien ergert het me dat ik je ten gevolge van dit wangedrag mijn bescheiden cadeautje niet heb gegeven. Te weten mijn Zes liederen op verzen van Engelse dichters, waarvan 'MacPherson voor zijn executie' is opgedragen aan jou. Die liederen heb ik lang geleden geschreven, en nu zijn ze uitgegeven.
Nogmaals: wees alsjeblieft niet boos op me. Morgen word ik weer in het ziekenhuis opgenomen voor mijn hand. Als je tijd hebt, schrijf me dan.
Doe de hartelijke groeten aan Vera Vasiljevna."

                               Je D. Sjostakovisj


Uit: Dmitri SjostakovitsjKroniek van een vriendschap. Brieven aan Isaak Glikman.
Uit het Russisch vertaald door Anne Stoffel. Uitgeverij Hoogland en Van Klaveren, Hoorn 2008

06-01-2020

Dmitri Sjostakovitsj aan het woord (3)


Gorki, 5 mei 1958

Beste Isaak Davydovitsj,
     "Dit schrijf ik uit Gorki, waar ik gisteren ben aangekomen om te concerteren. Goesman heeft mijn 11de symfonie gedirigeerd. Hij is een creatieve man en heeft daarom op veel plaatsen de tempi en de dynamiek veranderd. Daardoor klonken veel dingen heel slecht. Vandaag wordt dat concert herhaald en vertrek ik naar Moskou. Zelf speel ik mijn 2de concert. Ik speel slecht. Om een of ander reden is mijn rechterhand erg traag. Waarschijnlijk gaan we de 7de of 8ste naar Italië en daarna naar Frankrijk*. Begin juni zijn we terug. Mei is rijk aan evenementen. De 10de is Maxim jarig, de 30ste is Galja jarig. Op 19 mei is het 25 jaar geleden dat ik met Nina trouwde. En op al die data ben ik in den vreemde.
Ik verheugd me niet op de komende reis. Voel me erg moe. Ik moet thuiszitten en patience spelen. Maar ja, als de reis niet om de een of andere reden wordt afgelast, dan neem ik afscheid van je tot juni. Wees gezond, welvarend en gelukkig. Doe de hartelijke groeten aan Vera Vasiljevna en aan al de jouwen."
                           Een dikke zoen. D. Sjostakovitsj

* Noot van de vertaler: Na op 22 april de Leninprijs te hebben gekregen, zou hij op 12 mei in Italië het lidmaatschap van de Academie van de Heilige Cecilia in ontvangst nemen, en op 30 mei in Parijs worden benoemd tot Commandeur in de Orde van de Kunsten en Letteren. Maar daar schrijft hij niets over, omdat hij er weinig belang aan hechtte. Eerzucht was hem vreemd.


Uit: Dmitri Sjostakovitsj, Kroniek van een vriendschap. Brieven aan Isaak Glikman.
Uit het Russisch vertaald door Anne Stoffel. Uitgeverij Hoogland en Van Klaveren, Hoorn 2008


04-01-2020

Dmitri Sjostakovitsj aan het woord (2)


Moskou, 4 januari 1954

"Beste Isaak Davydovitsj,
                   Gelukkig nieuwjaar. Ik wens jou en Vera Vasiljevna het allerbeste en vooral gezondheid. Dank je wel voor je brief. Ik heb hem vele malen herlezen en hij heeft mij zeer verheugd en ontroerd. Zoals bekend is 'een bemoedigend woord den kunstenaar even onontbeerlijk als hars den strijkstok eens virtuozen' (K. Proetkov*). En jouw bemoedigende woorden zijn me meer dan dierbaar.
Een dikke zoen."
                                         D. Sjostakovitsj

* Noot van de vertaler: Kozma Proetkov was een gezamenlijk pseudoniem van vier negentiende-eeuwse schrijvers: A.K. Tolstoj en de drie gebroeders Zjemtsjoezjnikov.


Uit: Dmitri SjostakovitsjKroniek van een vriendschap. Brieven aan Isaak Glikman.
Uit het Russisch vertaald door Anne Stoffel. Uitgeverij Hoogland en Van Klaveren, 2008




31-12-2019

Dmitri Sjostakovitsj aan het woord (1)



Koejbysjev, 11 maart 1942

"Beste Isaak Davydovitsj. In mijn leven heeft weer een gebeurtenis plaatsgevonden. We zijn verhuisd. Onthoud het adres en het telefoonnummer: Vilonovskajastraat 2a/2, Koejbysjef. Tel. 22-73.
Veel dank voor je telegram over de première van mijn Zevende symfonie. Het is duidelijk dat je die over de radio hebt gehoord. Jammer genoeg niet in het echt. Op de radio gaat veel verloren. Vandaag kreeg ik een telegram uit Tsjerepovets met de volgende tekst: 'Heelhuids vertrokken uit Leningrad hoop vurig jullie gauw te zien dikke zoen Oma'. Ik ben er vrrselijk blij mee. Als ze nu maar heelhuids aankomen. We verwachten 8 personen: mijn moeder, Maroesja, Mitja, Sof. Mich., Vas. Vas., Irina, G.G. Efros en Allotsjka. Er moet wel plaats voor ze te maken zijn. Ik heb een grote woning met 4 kamers. Onlangs kreeg ik je brief, waarin je meldt dat Serebrjakov erover denkt jou naar Koejbysjev te sturen om mijn symfonie op te halen. Onnodig te zeggen hoe gelukkig ik zal zijn met je komst. Kom vooral, we zullen alles regelen. Mijn humeur is goed, maar ik ben erg bezorgd om mijn reizigers. Binnenkort vlieg ik naar Moskou. Samosoed is daar al en gaat een orkest formeren voor mijn Zevende symfonie. Nou dat was het. Schrijf me. Een dikke zoen.
                                                                                                       
                                                                 D. Sjostakovitsj

P.S. Heb je het geld ontvangen?


Uit: Dmitri Sjostakovitsj, Kroniek van een vriendschap. Brieven aan Isaak Glikman.
Uit het Russisch vertaald door Anne Stoffel. Uitgeverij Hoogland en Van Klaveren, 2008



24-12-2019

Aldus de schrijver (37)


"Lucebert noemde een van zijn gedichten Monk naar Thelonious Monk, een van de grote vernieuwers uit de jaren 1940-1944 wiens muziek hier uiteraard door de oorlog vertraagd doorkwam. Monk had in jazzkringen door zijn exotisch gedrag, onbenaderbaarheid en onvoorspelbaarheid de eretitel Hogepriester van de Bop gekregen.

Bij Lucebert gaat dat zo:

de duizelingwekkende mandarijn beveelt
afbraak van het porseleinen paleis
wulpse slaven slopen terwijl hij
in zijn jaden grot zich hinkend inspint

Duizelingwekkend, niet zoals Dizzy Gillespie door zijn techniek en veelheid van noten, maar door een gewaagde en verrassende onderbouw. Het porseleinen paleis van de glitter van de King of Swing Benny Goodman (en anderen) en de eeuwige glimlach van de musici die voor de honderdste keer exact dezelfde solo spelen, wulpse slaven, moet staan voor de kontkruipers die men bij alle kunstvormen aantreft, terwijl het inspinnen in de jaden grot de hoop weergeeft dat deze nieuwe Meester nog veel en vaak van zich laat horen.
Als zodanig niet alleen een helder gedicht, maar ook de reactie van een liefhebber die kans ziet in enkele regels een revolutie binnen de jazzmuziek in kaart te brengen."


Igor Cornelissen in Ik ben een gemankeerde saxofonist. Lucebert &  jazz. Uitgeverij Huis Clos, uitgave 48, Heerlen 2013.


22-12-2019

Aldus de schrijver (36)


 "Schilderijen ontstaan door het verspreiden van verf over een oppervlak. Omdat dat niet willekeurig gebeurt moet men zoeken naar de principes, zoals bijvoorbeeld de richting van de bewegingen. Toen in de Renaissance het schilderen tot een humanistische kunst werd verheven, dat wil zeggen: tot een oefening in individuele intelligentie, werd het maken van een schilderij synoniem met een 'concept' – het geheimzinnige ontvangen van een idee. Die invalshoek op de schilderkunst deed de kunst afkeren van zijn ruwe, fysieke karakter. Ik weet niet of Per Kirkeby ooit in het bijzonder bepaalde ideeën heeft gehad over individueel schilderen. De essays, gepubliceerd in het boek Bravura zijn indrukwekkend omdat ze eenvoudig en rechtstreeks zijn: ze behandelen de kunst als alledaagse praktijk. Voor hem is het niet nodig om het belang van de kunst te verklaren of het bestaan van de kunst te legitimeren omdat hij zelf kunstenaar is. Hij mag dan twijfelen over bepaalde resultaten maar niet over het waarom van het schilderen. Een kunstenaar houdt zich niet bezig met wat zijn werk eventueel zou kunnen betekenen: hij houdt zich bezig met het hoe van het schilderen en waar hij zijn ruwe materiaal zal kunnen vinden. Een conceptueel idee zal kunnen helpen richting te geven aan zijn hand. Vaker echter vinden kunstenaars iets wat meer praktisch is: een goed motief of een interessante vorm met een sterkte identiteit die de bewegingen van de verf samenbindt, een verband afdwingt.
(...) Je kunt in Kirkeby zijn schilderijen zien dat hij graag zijn verf op een bepaalde manier hanteert. Gewoonlijk komen er een paar velden of plekken verf op het doek die in verschillende richtingen worden uitgestreken, dan over het oppervlak samenkomen – bewegend naar het midden, kruipend rond de zijkanten, elkaar rakend en voorbijgaand, in elkaar overgaand. Ze lijken te zweven, dan weer als ijsschotsen samen te pakken. Toch zijn de schilderijen zelden te dicht beschilderd: tussen en achter plekken komen andere kleuren tevoorschijn, soms heiig zoals de lucht die je door donkere bomen heen kunt zien oplichten.
Veel van Kirkeby's schilderijen zien er uit als landschappen maar zijn het niet. Hij gebruikt het spectrum van richtingen in het landschap; hij vond daarin een geschikte open structuur die hem toestond de verf op de manier te bewegen die hem aanstond – een matrix die voldeed aan zijn instinct en zijn behoeften."


Uit: Rudi Fuchs, Tussen kunstenaars. Een romance. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2002

Afb.: Per Kirkeby, Zonder titel 1999, olie op canvas



20-12-2019

Gedicht 'De dood' van Jules Deelder (1944-2019)



Het gedicht 'De dood' van Jules Deelder is opgenomen in zijn bundel Ruisch. Gedichten die in 2011 verscheen bij De Bezige Bij te Amsterdam. Hij las het voor op 15 juni afgelopen jaar tijdens de vijftigste editie van Poetry International.

Aldus de schrijver (35)


"In de National Gallery in Londen hangt een schitterend portret, De man met de rode tulband. Wie de man was, weet niemand – sommigen denken dat het een zelfportret is, van de schilder Jan van Eyck. Maar wie het ook geweest is, één ding is zeker: hij is dood. Het portret werd in 1433 geschilderd, op 21 oktober om precies te zijn. Een wonderlijk nauwkeurige datering, meestal moeten we het met werk uit die tijd doen met omstreeks een rond jaartal, of vóór een ander rond jaartal. Maar Van Eyck penseelde de datum in het schilderij. We kunnen er dus wel van uitgaan dat de man op het schilderij in de herfst van 1433 nog leefde. Nu is hij dood. Toch kijkt hij ons nog heel levendig aan van onder zijn rode tulband. Nog steeds is te zien hoe streng en mild hij uit zijn ogen kijkt, dat rood daarbij paste en dat hij een glimmend wit randje onder die ogen had, zo'n lichaamsdeel waarvoor vast een woord bestaat, maar eentje dat niemand ooit te binnen schiet. Je zou bijna zeggen dat het portret lijkt, zo overtuigend is hier een mens uitgebeeld. Aan zijn dood denk ik nooit. Tot ik in een ander museum een Fajoemportret zag. Wat zou er gebeuren als behalve dit portret van de tulbandman ook zijn gezicht bewaard zou zijn, als de afbeelding van dat randje wit zich op slechts een paar millimeter afstand van het echte randje bevond? Dat is het geval bij Fajoemportretten, schilderijen uit de eerste drie eeuwen na Christus uit Egypte."
 

Uit: Bianca Stigter, De ontsproten Picasso. Reizen door kunst en tijd. Uitgeverij Contact, Amsterdam 2008

16-12-2019

I.M. Rob Molin (1947-2019)



I.M. Rob Molin (1947-2019)

De beelden stapelen zich op, vandaag, bedelven ons
onder herinneringen, ontnemen de zon voor even haar licht,
terwijl de oceaan in je geliefde Senegal zich terugtrekt,

palmen in onverwerkte treurnis onbeweeglijk blijven staren,
blijf jij in je eigen verhaal. Je doorloopt opnieuw de wereld
van anderen, hun passie, hun lot, brandend van bewondering.

Nu verblijf je waar je nooit bent geweest. Komen tevoorschijn
als je omkijkt de tuinen van eerdere reizen, het eeuwig bruisen
van maanbeschenen watervallen, verstomd in een droef afscheid.

En nog, bij momenten op een onbekende dag, blaast de wind door
je grijze haren, fiets je niet ver hier vandaan door het heuvelland
sprintend ons voorbij, zwaaiend – je kijkt alsof je droomt.


 frb


 foto Pieter Jakobs



Aldus de schrijver (34). Bij de dood van Panamarenko



"Zijn eerste door mensenkracht aangedreven vliegtuig, de U-Control III, ontstond onder invloed van het in 1971 in Engeland verschenen boek van Keth Sherwin: Man Powered Flight. Door dit boek was Panamarenko op de hoogte van talrijke pogingen die in die tijd in Engeland werden ondernomen om vliegtuigen zonder motor in beweging te brengen. Het is dan ook begrijpelijk dat Panamarenko tussen 1072 en 1975 verscheidene vliegpogingen heeft ondernomen met de mensenkracht-propellervliegtuigen die hij in die jaren heeft gebouwd. Het moet worden opgemerkt dat Panamarenko al in 1969, tijdens de bouw van Das Flugzeug, ernstige pogingen ondernam om de propellers van dat toestel met menselijke kracht in beweging te brengen.

Als ge echt iets wil leren over het vliegen, dan moet ge
dat zelf doen, en die toestellen zelf aandrijven,
dan voelt ge direct hoe goed of hoe slecht dat het werkt...

Uit: Paul Morrens en Hans Willlemse, Copyright Panamarenko. Uitgeverij Ludion, Gent-Amsterdam 2005

Panamarenko, 'de Da Vinci van Antwerpen', stierf op 14 december 2019 op 79-jarige leeftijd.





14-12-2019

'Ruimte'



           Ruimte

Een hert zichtbaar maken onder een boom,
ruimte openen, vrijgeven aan het dier,
met een royaal gebaar een zwaan laten glijden
in schemerlicht, water beluisteren waar ooit een bron.
En dan de verliefde vogel die door je blik schiet.

Alleen zo wordt het waard de ladder 
onder de boom te plaatsen, tree na tree te beklimmen, 
licht te stapelen voordat het eindeloos valt

tussen het zingen van de merel door, het burlen 
van het hert. Er onverwacht een plek vrijkomt

om te schuilen in het veld, ver achter de heg.


frb


Uit: Hans Bartelet, Schepper van schoonheid
Uitgave: Stichting Hans Bartelet (1948-2007), Maastricht 2012

Omslagfoto: Sander Philippen



11-12-2019

Aldus de schrijver (30)



"Het is nacht, de maan staat helder aan de hemel en verwijdert zich van de boot, buigt links naar de weilanden. De oude rossige boot, met een witte band om de schoorsteenpijp, baant zich kalmpjes, met onregelmatige slagen van de sloepen, een weg door het zilverige water. De donkere oevers lijken de boot langzaamaan te naderen door de op het water afgeworpen schaduwen, waarboven zich met een rood schijnsel de vensters van de boerenhutten aftekenen. In het dorp zingen meisjes bij een rondedans het refrein 'ai-ljoelí', dat klinkt als halleluja."
(...)
"Er heerst een doodse stilte op de aak, die goed zichtbaar is in het volle maanlicht; achter het zwarte gaas tekenen zich vage, ronde vlekken af: de gevangenen die naar de Wolga staren. Het water slaat tegen de boot met een geluid tussen een zacht lachen en een snik in."


Uit Maxim Gorki, Jeugdherinneringen. Vertaald uit het Russisch door Peter Charles.
Uitgeverij De Arbeiderspers (serie Privé-domein), Amsterdam-Antwerpen 2013



07-12-2019

'Koninginnenrit'



Koninginnenrit

Ik denk mij alle tijden een trotse leeuwin,
geen alledaagse die niet weet van verschil.

Een die in mijn buurt komt liggen,
als ze ademt wolkjes uit haar mond.

Bomen in het landschap vouwen zich 
open, nemen plaats, terwijl ik op zoek

naar een plek in het gras ongehinderd 
de stilte vier die bij elke storm ontploft

onder de schaduw van een schuileend.
Kijk toch hoe elegant de hakken in het zand.


frb



Bep Scheeren, ‘Koninginnenrit’, acryl op linnen, 2003-2004, 
200x200 cm. Uit: Bep Scheeren, Van de haat en de liefde, 2000 / 2010
Museum van Bommel van Dam, Venlo 2010



03-12-2019

De eerste alinea (91)



"Op een avond enkele jaren geleden bevond ik me met enkele vrienden in een beroemd variététheater; ik zie de grote zaal nog voor me: overal tafeltjes en stoeltjes, de wandelgang er rondom heen, de twee galerijen aan beide kanten, op de achtergrond het podium en aan de rechterkant de deur die toegang gaf tot een kleine toneelzaal. Zoals gewoonlijk hing er ook op die avond een groot aantal van die vrouwen rond, die men, zoals algemeen wordt beweerd, in geen enkele andere hoofdstad kan vinden, tenminste voor zover het hun gratie en elegantie betreft. Voor de rest waren er vreemdelingen en boemelaars zoals wij, oude fatten en jonge mensen, waaronder zich ook enkele burgermannetjes hadden gemengd. Kortom, de gebruikelijke bezoekers, en dan niet te vergeten de kelners, met hun slungelige gang die herinneringen opriep aan Little-Tich."

Paul Léautaud, Lichtzinnige herinneringen. Vertaald uit het Frans door Pieter Beek. Uitgeverij De Arbeiderspers (serie 'privé domein'), Amsterdam 1969.

30-11-2019

Bert Schierbeek en Jef Diederen (4)



Onder water, zei de meester, breekt het normaal
perspectief
onder water leven wij de prisma
onder water zijn wij vier dimensionaal
dwz: gebroken


In 1964 verscheen van Bert Schierbeek bij uitgeverij De Bezige Bij de bundel Ezel mijn bewoner. Geïnspireerd door dit lange gedicht maakte beeldend kunstenaar Jef Diederen in dat jaar meer dan tachtig tekeningen en gouaches bij tekstfragmenten. Een jaar later werd de geheel serie in het Stedelijk Museum tentoongesteld. In de catalogus bij het werk noteerde Diederen: "De gedeelten die hetzij onmiddellijk hetzij geleidelijk een beeld opriepen zijn uit de tekst gelicht en tot beeld naast de tekst geworden. Lezer-kijker, kijker-lezer."
In afleveringen op mijn log drie fragmenten uit Ezel mijn bewoner dat in 2000 met de volledige tekst van Bert Schierbeek en het beeldend werk van Jef Diederen verscheen bij Kempen-Publishers, Eindhoven-Airport.


27-11-2019

Bert Schierbeek en Jef Diederen (3)



          Het was nacht
       zwevende de dingen
       de vormen vaag en overvloeiend
       van ongeziene gestalten


In 1964 verscheen van Bert Schierbeek bij uitgeverij De Bezige Bij de bundel Ezel mijn bewoner. Geïnspireerd door dit lange gedicht maakte beeldend kunstenaar Jef Diederen in dat jaar meer dan tachtig tekeningen en gouaches bij tekstfragmenten. Een jaar later werd de geheel serie in het Stedelijk Museum tentoongesteld. In de catalogus bij het werk noteerde Diederen: "De gedeelten die hetzij onmiddellijk hetzij geleidelijk een beeld opriepen zijn uit de tekst gelicht en tot beeld naast de tekst geworden. Lezer-kijker, kijker-lezer."
In korte afleveringen op mijn log vier tekstfragmenten en vier tekeningen uit Ezel mijn bewoner. In 2000 werd de volledige tekst van Schierbeek en het beeldend werk van  Diederen onder dezelfde titel opgenomen in een bijzondere uitgave die verscheen bij Kempen-Publishers, Eindhoven-Airport.