22-09-2021

Over Martin Linnartz (1)

 

 

Martin Linnartz (1929–2012) is een begenadigd kunstenaar. Zijn observaties in de natuur dienen hem tot het ontsluiten van een eigen universum. Al tekenend registreert hij verwantschappen, puurt hij uit het ogenschijnlijk nietige het indrukwekkende grootse. Met grote zwier, maar ook met eerbied en respect voor de in de natuur aanwezige harmonie en aanvaarding van het vergankelijke.
Meer dan registraties/observaties zijn het met grote bevlogenheid vormgegeven fantasieën. Alles in zijn werken wervelt, trilt en gonst, beweging roept beweging op. Een natuur die op springen staat, tegelijk het verslag van een innerlijke beleving die waarneming omzet in droom en fantasie. Stillevens worden in hun beweeglijk lijnenspel ingenieuze composities. Details worden uitvergroot, brengen dramatische accenten aan. Geluk en genot grenzen aan dood en verval. Linnartz’ kracht ligt zowel in het grafische zwart van potlood en inkt als in het coloriet van crayon en penseel, zowel in de verstilling als in de dans.
‘Ik ben gefascineerd door het beweeglijke,’ zei Martin Linnartz, ‘het vinnige, het tintelende, het vlijtige. We mogen blij zijn dat onze insecten zo klein zijn, anders zouden het ontzettende monsters zijn.’ En ook merkte hij op: ‘Ik bevolk mijn vegetaties vaak zó vol met insecten dat het bijna een plaag wordt, er ontstaat een soort vernietigingsproces. Tussen enerzijds het insect en anderzijds de paardenbloem, de balsemien, de kastanjeknoppen, het springzaad.’
Het leidt in ieder geval voor ons als kijker tot een turbulente, vaak surrealistische wereld waarin sprinkhanen compositorisch verweven zijn met berenklauwen en vlinders vervlochten met leeuwenbekjes.

 frb

Fragment uit het openingswoord bij Martin Linnartz’ tentoonstelling ‘Bildnerische Betrachtungen’ op 21 maart 2009 in Museum Het Land van Valkenburg. In 2011 was de tentoonstelling te zien in het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam.

Afb.: ‘Insect’, inkt op papier, 1970, 32x27 cm
Over Martin Linnartzhttps://rkd.nl/nl/explore/artists/50239


19-09-2021

Gerard de Lairesse, 'Groot Schildersboek'

 

 

“Eén van de meest invloedrijke boeken is het Groot Schildersboek dat werd uitgegeven in 1707 en dat tot ver in de 19e eeuw op alle academies als toonaangevend werd beschouwd. Het werd geschreven door de in Luik geboren Gerard de Lairesse (1640-1711) die kort nadat hij in 1665 vanuit Maastricht naar Amsterdam was vertrokken furore maakte als schilder en (nadat hij blind was geworden) als theoreticus (…). 
De tentoonstelling 'Stupid as a Painter' eind 2015 kan gezien worden als een mogelijke tussenstand van schilderkunstige blikken die de Jan van Eyck Academie heeft. De meeste deelnemers van de tentoonstelling waren of zijn resident, docent of hun werk is anderzijds verbonden met deze plek in Maastricht.” (Uit een tekst van curator Niek Hendrix).


Het gedicht ‘Penseel’ is naar het Engels vertaald (zie boven) door David Colmar. Het was een van de drie gedichten – in relatie tot het thema van de tentoonstelling – dat op een wand van de Jan Eyck Academie tijdelijk werd aangebracht samen met werk van beeldende kunstenaars.

 

Penseel
(naar Gerard de Lairesse, 1707)

Er bestaat een vloeiende, een zachte, gladde maar ook
een stevig gedurfde penseelstreek. Let op de snelheid
van je hand om het even of je het zachte loof van bomen
schildert, harig vee of bloemen op hoog reikende stelen.

Werp het stijve en morsige schilderen van je af,
wees doortastend, blijf voorzichtig, bewaar je geduld.

Verwerp het idee dat warm gloeiend, bruin coloriet het altijd
beter zou doen. Is een fladderende vleermuis niet even mooi 

als een flirtende papegaai, een beek niet even aantrekkelijk als
een fontein of een woeste zee, zich uitlevend op een rotsplooi?


 frb

Over Gerard de Lairesse: https://nl.wikipedia.org/wiki/Gerard_de_Lairesse

Over Niek Hendrixhttp://niekhendrix.com

 

14-09-2021

De eerste alinea (117)

 

“Het waait. De pelikanen schieten snaterend omhoog, alsof ze aan een elastiek zitten. Met hun vleugels schuin naar achteren gebogen duiken ze sterk omhoog het water in. Als ze even later op een ander punt weer opduiken, steken ze hun snavel omhoog, ze schudden hun keelzak, laten de inhoud door hun keel glijden en maken zich op voor een nieuwe start. De zwerm van misschien tweehonderd dieren waaiert in de lucht ver uiteen zodat het lijkt of hij oplost, maar even later verdicht hij zich weer tot een donkere wolk. Zo gaat het honderden keren. Bij aflandige wind vliegen de vogels geregeld boven het stuk strand tussen de laaddokken van de haven en de lange grijze hal van de ruilfabriek.”

Uit: Paulus Hochgatterer, De zwarte klok. Vertaald uit het Duits door Gerrit Bussink. Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam 2020

Over Paulus Hochgatterer: https://de.wikipedia.org/wiki/Paulus_Hochgatterer


11-09-2021

Irene Vallejo, 'Papyrus'

 

 

“Ik ben geboren in een land en een tijd waarin boeken makkelijk te krijgen zijn. Bij mij thuis liggen ze overal. Als ik druk aan het werk ben en voor mijn onderzoek tientallen boeken leen bij bibliotheken liggen ze meestal in hoge stapels op stoelen of zelfs op de vloer. Ook opengevouwen met de rug naar boven als een puntdak dat op zoek is naar vier muren om een huis te kunnen vormen. Om te voorkomen dat mijn zoontje van twee jaar de bladzijden kreukt leg ik ze tegenwoordig op stapeltjes op de rugkussens van de bank, en als ik ga zitten om uit te rusten voel ik de hoeken ervan in mijn nek prikken. Als ik de prijs van boeken afzet tegen de huren in de stad waar ik woon, blijken mijn boeken dure huurders te zijn. Maar ik denk dat ze stuk voor stuk, van de grote fotoboeken tot de oude gelijmde pockets die zich altijd proberen te sluiten als mosselen, het huis wel veel gezelliger maken.
In het hier en nu zijn boeken zoiets gewoons, zo ontdaan van het aura van technologische vernieuwing, dat voorspellingen over het verdwijnen ervan niet van de lucht zijn. Om de zoveel tijd lees ik bedroefd in de krant een artikel waarin wordt gesteld dat boeken hun beste tijd gehad hebben, dat ze praktisch al helemaal verdrongen zijn door elektronische dragers en het moeten afleggen tegen de eindeloze verleidingen van de vermaaksindustrie. De grootste pessimisten beweren dat het bijna gedaan is met een tijdperk en dat we voor een ware apocalyps staan van boekhandels die zullen moeten sluiten en bibliotheken waar geen mens meer komt. Ze lijken erop te wijzen dat binnen afzienbare tijd boeken alleen nog te zien zullen zijn in de vitrines van etnologische musea, naast speerpunten uit de prehistorie. Met dat in mijn hoofd laat ik mijn blik gaan over de eindeloze rijen boeken en lp’s, me afvragend of een oude vertrouwde wereld inderdaad op het punt van verdwijnen staat.
Weten we het zeker?
Het boek heeft de tand des tijds doorstaan, heeft bewezen een langeafstandsloper te zijn. Telkens als we wakker werden uit de droom van een revolutie of de nachtmerrie van een humanitaire ramp was daar altijd nog het boek. Zoals Umberto Eco zegt behoort het boek tot dezelfde categorie als de kakkerlak, de hamer, het wiel of de schaar. Eenmaal uitgevonden valt er niets meer aan te verbeteren.”

Uit: Irene Vallejo, Papyrus. Een geschiedenis van de wereld in boeken. Vertaald uit het Spaans door Adri Boon. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2021.

Over Irene Vallejo: https://de.wikipedia.org/wiki/Irene_Vallejo

 

08-09-2021

Straatpoëzie (2)

 


Tussen de bruggen

Voel de zachte bries die wervelend ruimte krijgt 
boven de golven van de Geul. Nabij hoek en straat,
nabij de paden van verwondering de blijde doortocht

van het water, zijn zang op alle uren van de dag. 
Op elke windtocht warrelt stof geruisloos boven
eeuwenoude graven, klinken langvergeten namen. 

Onze kwieke voetstap door straten en dreven als groet
aan hen die nu in vrede rusten. Tussen de Bruggen 
verglijden de jaren, horen we van dichtbij

het klaterende spel van water. En wij, onderweg,
badend in het licht, vertellen elkaar verhalen
,
volgen het slingerende pad dat vóór ons ligt.


 frb

Het gedicht staat op een kleine granieten zuil niet ver van de woning gelegen aan Tussen de Bruggen 71 te Meerssen (L). Ik heb me laten inspireren door het omringende: het water van de Geul, het groen, en tegenover dat alles: het oude Joodse kerkhof.



05-09-2021

De eerste alinea (116)

 


“De herberg lag in een kuil in het landschap, aan de voet van een lage, licht hellende heuvel die begroeid was met kale beuken en net hoog genoeg kwam om de rechte pluimen uit de schoorsteen te doen breken en neerdalen. De lucht was beneveld en klam. Het was eind november, laat in de middag, maar uit het westen kwam geen zonlicht en in het oosten, waar de koude mist zich ophoopte boven de kust van Jutland, doemde een muur van wolken op. Er hing een zeelucht, zelfs een paar kilometer landinwaarts, maar de reiziger die de herberg onder ogen kreeg liep nu al zoveel dagen parallel aan de kust dat hij zich van die zilte geur niet meer bewust was.”


Uit: Janet Lewis, Het proces van Sören Qvist. Uit het Engels vertaald door Paul van der Lecq. Uitgeverij Cossee, Amsterdam 2021.


Over Janet Lewishttps://www.uitgeverijcossee.nl/auteur/Janet-Lewis-A283.php



31-08-2021

Frida Kahlo

 


Soms word ik door één blik in de spiegel, stoelen
en sieraden om me heen, de aanwezigheid van mezelf
gewaar – ademtochtjes, rimpels en plooien van een vurig
leven. Zo viel dus na een ongeluk mijn lichaam uiteen

in brokjes been, werd opnieuw mijn heup gefiguurzaagd
uit resten bot, zwervende wervels, gapingen achterlatend,
doorschijnende lichtvensters in een gebroken lijf. Oneindig

de schade aan het bloeddoortrokken weefsel, mijn pijn.


———-


Alsof mijn geest woest krijsend zich afkeert
van mijn lichaam, ik onder sterrenstrooisel slaap
in een hemelbed, de dood glurend over de rand van
het baldakijn. Kom dan, gluiperd, knip mijn haren af,

leg een hand op mijn mond, strijk het zout, het bijtende
verdriet weg, als ik onhandig tussen regendruppels verdwaal, 

nutteloze geesten aanroep, en toch vol trots mijzelf straks

oorbellen toebedeel, zodat het klingelt boven mijn kapotte lijf.


 

 frb

 

Uit de reeks ‘Bij Frida Kahlo op visite’, opgenomen in de bundel
Achter het verdwijnpunt. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2015

De tentoonstelling ‘Frida Kahlo & Diego Rivera: 

A Love Revolution’ in het Cobra Museum te Amstelveen 

is verlengd t/m 3 oktober 2021

Over Frida Kahlo: https://nl.wikipedia.org/wiki/Frida_Kahlo

Afb.: Zelfportret met Dr. Farill, haar laatste zelfportret
 

28-08-2021

De ontdekking van het reizen (3)

 

“Bestond er enigerlei middel waarmee de reiziger in vroegere eeuwen zich tegen geweldsincidenten kon wapenen? Het alom tegenwoordige gevaar baarde een keur van voorzorgsmaatregelen. Uit sommige wat concretere beschrijvingen blijkt dat het simpelweg verbergen van kostbaarheden in de kleren van de reiziger al tot bevredigende resultaten leidde. Behalve Fynes Moryson en een anonieme Pool uit 1595 beschreef ook Bartholomäus Sastrow, die hen twee generaties voorging, hoe hij op de terugweg vanuit Rome zijn bezittingen beschermde. Hij naaide zijn geld in de kraag van zijn overhemd en een waardevol collier in zijn broek. Hij had heel weinig bij zich: een overhemd, het manuscript van de gedichten van zijn overleden broer, een knapzak over zijn schouder, een rapier aan zijn zijde en zijn rozenkrans. Na enige tijd bleek ook dat riskant te zijn en ging Sastrow er met succes toe over de doofstomme te spelen (zijn onbekendheid met de Italiaanse taal zou hem, in een tijd waarin iedere Duitser voor een protestant werd gehouden, hebben verraden).
De reiziger, of hij nu toerist of koopman was, ging gewapend op reis. Behalve een zwaard, dat algauw een symbool werd van de devaluerende sociale status van de eigenaar, voorzagen reizigers zich van vuurwapens – zowel musketten als pistolen. Ook al konden ze er nooit op rekenen dat hun wapens superieur waren aan die van een roversbende, de wapens zouden bandieten er wellicht van weerhouden aan te vallen. Angst bracht kleinere groepen er vaak toe de krachten te bundelen. Dit betekende ook dat huren van een escorte minder kostte.”

Uit: Antoni Mączak, De ontdekking van het reizen. Europa in de vroeg-moderne tijd. Vertaald uit het Engels door Aris J. van Braam. Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht 1998


Over Antoni Mączak:  https://en.wikipedia.org/wiki/Fynes_Moryson

Over Fynes Moryson: https://en.wikipedia.org/wiki/Fynes_Moryson

Afb.: Vlaamse meester, begin 17de eeuw, olie op hout, 17,5x22 cm

 

25-08-2021

De ontdekking van het reizen (2)

 

 

“In tegenstelling tot wat ik oorspronkelijk dacht, blijkt uit de verschillende reisdagboeken dat verreweg de meeste reizigers voortdurend van verblijfplaats wisselden: elke dag logeerden ze in een andere plaats en een andere herberg tot ze in een belangrijke stad arriveerden. Maar zelfs Florence, Venetië of Maastricht kon sommige reizigers nauwelijks langer dan een dag of twee, drie vasthouden. Gewoonlijk had een reis bepaalde specifieke doelen en alleen wanneer de reiziger die had bereikt, bleef hij een paar maanden. Afhankelijk van het doel van zijn reis kon de stad waar hij verbleef een centrum van wetenschap, een kuuroord of een centrum van kunst zijn. Maar meestal had hij voor elk stadium van zijn reis een aantal van zulke halteplaatsen geselecteerd. Moryson bijvoorbeeld bezocht een halfdozijn universiteiten en onderbrak zijn reis om verscheidene talen te leren. Montaigne volgde een kuur voor zijn 'stenen': hij baadde in en dronk van het mineraalwater in Baden, Lucca en andere kuuroorden. De grote meerderheid van de jeugdige aristocraten bezocht twee of meer academies. Maar als het er alleen om ging – zoals meestal het geval was bij Engelse reizigers – een zekere mate van Europese verfijning en enige kennis van vreemde talen op te doen, dan waren er de befaamde scherm- en rijscholen, die ook bezoekers voor een langduriger verblijf aanlokten. Ze bevonden zich in steden als Saumur, Blois of Siena, waar de landstaal geacht werd in haar zuiverste vorm te worden gesproken.” 


Uit: Antoni Mączak, De ontdekking van het reizen. Europa in de vroeg-moderne tijd. Vertaald uit het Engels door Aris J. van Braam. Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht 1998

 Over Antoni Mączak: https://en.wikipedia.org/wiki/Antoni_M%C4%85czak

 

22-08-2021

De ontdekking van het reizen (1)

 

“Vóór de eigenaar zijn reislaarzen uittrok en zijn handen waste, zorgde hij voor zijn paard. Een nette stal en een goede verzorging van de paarden werden vaak genoemd als een van dc belangrijkste kenmerken van een goede herberg. Zowel de gedreven reisverslaggever Fynes Moryson (1566-1630) als de abstracte hoofdpersonen uit de taalgidsen letten er scherp op dat hun paarden te eten kregen en hoeveel. Want hoewel een paard nou niet meteen iemands beste vriend hoefde te zijn, kon het toch van doorslaggevend belang zijn voor het leven en het welzijn van de reiziger. Vandaar dat reizigers, in hun lange lijst van klachten en beschuldigingen over de vetturini steevast rneldden dat de gidsen/koetsiers beknibbelden op het voer of het zelfs stalen. Naast de lengte van de plaatselijke mijl, vormden de hoeveelheden haver en hooi het voornaamste onderwerp van de metrologische observaties van de toerist. Voor sommige auteurs was het feit dat men in Spanje paarden kaf in plaats van hooi voerde, of dat men ze een bepaalde graansoort gaf, even belangrijk als wat ze zelf aan tafel te eten kregen. Morison merkte dat hij de grens tussen bier- en wijnzone was gepasseerd toen de stalknechts de vermoeide benen van zijn paard niet meer met ongegist bier, maar met aangelengde wijn afwreven. Dit alles gold natuurlijk alleen als een reiziger zelf een paard had; als hij de postkoets of een huurrijtuig nam, had hij in ieder geval een probleem minder aan zijn hoofd. 

Lange trajecten, bergen, de wisselende reisomstandigheden in verschillende landen – al die factoren sloten uit dat het eigen, favoriete paard van de reiziger ook zijn permanente reisgenoot was. Ik ken niet één geval waarin een reiziger over zijn paard spreekt als over een bijzonder individu; een paard was een vervoermiddel dat voortdurend werd verkocht en ingeruild.”
 

Uit: Antoni Mączak, De ontdekking van het reizen. Europa in de vroeg-moderne tijd. Vertaald uit het Engels door Aris J. van Braam. Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht 1998
 

Over Antoni Mączak: https://en.wikipedia.org/wiki/Antoni_M%C4%85czak

Over Fynes Moryson: https://en.wikipedia.org/wiki/Fynes_Moryson

Afb.: Jeremias Schemel, Hongaarse koets, 1568


17-08-2021

De eerste alinea (115)

 

“Ik doofde de koplampen en stapte uit de auto. Dat is altijd een bijzonder moment: de koplampen verlichten alleen de duisternis, de nachtelijke geluiden hoor je niet. Met het openen van het portier ontvouwt zich een nieuwe wereld, zo is het ook wanneer je een duikmasker opzet en je hoofd onder water steekt. Het is koeler. De bergen zie je niet meteen, je ogen kunnen het zwart van de sterrenhemel nog niet onderscheiden van het zwart van het bergmassief. Een voor een verschijnen de bedeesde sterren. De maan tovert de toppen en de bergkammen tevoorschijn, en uiteindelijk is het massief van de Luberon te onderscheiden. Je ziet het niet echt, maar je wordt je gewaar dat het overal om je heen is, met geluiden die klinken als gefluister, met dichte begroeiing waar je niet doorheen kunt kijken, en de dieren die, vermoed je, naar buiten komen om te genieten van de koelte. Het is griezelig: de duisternis en de stilte kunnen niet verhullen wat er allemaal is, wat er spiedt, wat er loert, maar toch onzichtbaar blijft.”

Uit: Olivier Mak-Bouchard, Het lied van de mistral. Uit het Frans vertaald door Gertrud Maes. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2021

 Over Olivier Mak-Bouchard 

https://www.allesoverboekenenschrijvers.nl/olivier-mak-bouchard-het-lied-van-de-mistral/



14-08-2021

Remco Ekkers, 'Fulmarus glacialis'

 

Fulmarus glacialis

Als ik mijn ogen sluit, zie ik golven
waarboven stormvogels zweven
op weg naar een lage hemel.

Zij zijn alleen op de wereld.
Die enkele boot telt niet mee,
licht grijs van boven, wit onder

verlopend naar donker, glijden
lang op gestrekte vleugels
af en toe een korte slag.

De kleine computer in hun kop
berekent snel de afstand tot het water.
Een vleugeltip raakt nauwelijks de golven.

Zij vliegen uren door in het duister
over de donkere wateren van mijn slaap
lichten fel op in de lampen van het schip.


Uit: Remco Ekkers, Arctische gedichten. Voorbij de grens
Uitgeverij De Nieuwe Haagsche, Den Haag 2013
 

Remco Ekkers overleed op 4 juni 2021.
Over hem: https://nl.wikipedia.org/wiki/Remco_Ekkers

11-08-2021

Straatpoëzie (1)

 

 

Holleweg

Een huis stijgt uit de verte op,
witte schoorsteen achter geboomte,
oostwaarts een langzame draai.

Zijn wij het die daar staan, zwaaiend
naar elkaar, weids, nabij? De wind jaagt
langs de wegen, roept ons aan het raam.

Het stratenplan van de verbeelding
brengt verhalen, een lichtbanier
ontplooit zich boven stad en maan

 frb

Op een flatgebouw aan de Holleweg te Bergen op Zoom. Geplaatst eind jaren negentig.



07-08-2021

De eerste alinea (114)

 

“Ik woon in een flatgebouw in de stad Reykjavík en de flat is de hoogste in een rij van vier. Ik woon op de begane grond, links in het trappenhuis op nummer 54, in een driekamerwoning plus een kamertje zonder ramen, een balkon en beneden in de kelder een bergruimte. Voor de flat is een parkeerterrein en als je ’s avonds of misschien op zondag naar buiten kijkt, kun je onder ons keukenraam een Trabant zien staan en op zijn rode dak kijken. Voorin in de auto ligt een troffel.”

Uit: Jón Kalman Stefánsson, Het geknetter in de sterren. Vertaald uit het IJslands door Marcel Otten. Uitgeverij Ambo|Anthos, Amsterdam 2021

Meer over Stefánsson: https://en.wikipedia.org/wiki/Jón_Kalman_Stefánsson

 

03-08-2021

Aldus de schrijver (117)

 

 

“Het landschap werd bij Bernard Essers (1893-1945) door compositie, stilering, door toevoeging van eigen elementen – bijvoorbeeld bomen en vogels in een eigen vormgeving – en weglating van wat er naar zijn mening niet in paste, steeds meer Essers’ landschap (…).
De twee even grote houtgravures ‘Twee fazanten’ en ‘Twee koeien’ zijn de eerste van deze experimenten. Ze hebben eenzelfde ongewone opbouw: in beide twee dieren en profil, het ene naar links, het andere naar rechts kijkend. De dieren zijn afgebeeld in hun eigen milieu, de fazanten in de duinen en de koeien in de polder.
‘Twee fazanten’ is geïnspireerd op een Japanse lakschildering. Het is een experiment van compositie, lijn en vorm. De fazanten zijn opgenomen in de symmetrie. Hun lange gespikkelde staarten maken deel uit van een doorlopende bundel van soepel gestileerde lijnen die linksonder begint en naar rechts uitwaaiert. Tegen een achtergrond van een golvend duinlandschap met twee bomen en een grillig gestileerde wolkenlucht met puntige horizontale stroken springt de in het midden geplaatste duindoorn in het oog, die, in contrast met de omgeving, geometrisch tot een bol is omgevormd; de twee bomen zijn, in wat een typische Essers-stilering zou worden, verwaaid (…). ‘Twee koeien' oogt door de grote vlakken veel rustiger dan 'Twee fazanten’. De bonte en de witte koe gaan, anders dan de fazanten, minder op in de omgeving. Hoewel de bonte koe voorop staat draagt de witte, met de opgeheven kop in het midden van het beeld, de compositie. Essers heeft de koeien als het ware met elkaar verbonden door ze met hun voorpoten naast elkaar te plaatsen.”

 

Uit: Piet Spijk en Annemarie Timmer, Bernard Essers 1893-1945. Waanders Uitgevers, Zwolle / Drents Museum Assen 2008
Afb. boven:’Twee fazanten’, ca. 1925. Houtgravure, 21x30 cm
Afb. beneden: ‘Twee koeien, ca. 1925. Houtgravure, 21x29,5 cm
 

Over Bernard Essers: https://nl.wikipedia.org/wiki/Bernard_Essers


31-07-2021

Aldus de wetenschapper (4)

 

 

“De schilder Claude Monet (1840-1926) kwam tot de ontdekking dat schaduwen in werkelijkheid niet bruin of zwart zijn, maar gekleurd worden door hun omgeving, dat de lokale kleur van een voorwerp de invloed ondergaat van het licht waarin het wordt gezien, onder meer door reflecties van andere voorwerpen en door het contrast met de kleur van nabijgelegen voorwerpen. Cézanne roept uit: ‘De lucht is blauw, is het niet. En dat, mijne heren, heeft Monet ontdekt.’ Valt het zonlicht niet direct op een voorwerp, dan is er altijd nog het blauw van de lucht, de hemel. Zijn leven lang heeft Cézanne altijd wonderlijk mooie blauwe schaduwen geschilderd. Daarbij komt dat zonlicht zelf zich niet laat weergeven. Dit dwingt tot radicale oplossingen, zoals het inzicht dat je licht inderdaad alleen door kleur kunt weergeven en dat de lucht, de hemel, de atmosfeer daarbij de belangrijkste rol speelt. Het heldere licht van de open lucht vraagt om een helder palet. Vandaar dat Monet en de overige impressionisten geleidelijk overgingen tot het gebruik van zuivere onvermengde kleuren, volgens het schema van de drie primaire en hun complementaire kleuren, dat Delacroix had uitgewerkt. Aardse tinten werden verbannen. Halverwege de jaren zeventig verdwijnt zwart uit het palet van Monet. Zijn naam op het doek zet hij dan neer in een kleur en op een plaats die bijdraagt aan de levendigheid van het geheel.”

Uit: Gerard Visser, De druk van de beleving. Filosofie en kunst in een domein van overgang en ondergang. Uitgeverij Sun, Nijmegen 1998

Over Claude Monet: https://nl.wikipedia.org/wiki/Claude_Monet

Over Gerard Visser: https://nl.wikipedia.org/wiki/Gerard_Visser
Afb.: Claude Monet, ‘La Promenade où La femme à l’ombrelle'. Olieverf op doek 1875, 100x81 cm

27-07-2021

De eerste alinea (113)

 

“Pietro doet zijn ogen open, ze zijn bruin, levendig; hij kijkt naar het plafond, naar het zonlicht dat danst met de schaduwen van de gesloten gordijnen, met die van de speeltjes, van de meubels in de kamer, hij kijkt naar de barsten in de blauwe verf op het plafond, naar de hanglamp. Hij huilt.”

Uit: Roberto Camurri, De naam van de moeder. Uit het Italiaans vertaald door Manon Smits. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2021

Roberto Camurri (1982) woont en werkt in Parma. De menselijke maat is zijn debuutroman, een bestseller in Italië. Het boek werd voor verschillende literaire prijzen genomineerd en werd bekroond met de debuutprijs Premio POP 2018 en de Premio Procida-Elsa Morante.


24-07-2021

Aldus de schrijver (116)

 

“In maart 1917 was de schilder Dirk Filarski (1885-1964) te vinden aan het Vierwoudstedenmeer. Met het afnemen van de barre koude leek het of ook de immense strakheid zijn schilderijen verliet. Er kwam weer ruimte voor het ritme van het land. Bomen kregen hun takken terug, de hellingen hun golvende glooiingen. Een voorbeeld hiervan is het schilderij dat de naam van een dorp kreeg: ‘Rütli’. In breedgeborstelde wulpse banen liet hij met grof penseel en paletmes zien dat de aarde haar winterkleed had afgeschud. Ook was de kleur op zijn palet weergekeerd. Maar de ijzige koude weerspiegelde zich nog in het kleine bergmeer.
‘Een woesteling met kleuren’ werd de schilder wel eens genoemd. En zo toonde hij zich ook in het werk met de titel ‘De vlakte van Bauen’ uit 1917. Het is veel te zwierig en in brede golvende kleurbanen geschilderd om bij Sankt Moritz, waar hij eerder schilderde, te zijn ontstaan. Het moet dus gelokaliseerd worden aan het Vierwoudstedenmeer. Daar ligt ook het kleine dorpje Bauen. Duidelijker dan ooit laat Filarski zien een begenadigd colorist te zijn, een schilder die weet wat hij kan. Elke aarzeling is hem vreemd. Het werk zal bij ’In de Kunst’ als volgt worden besproken: ‘Zie de zonbeschenen vlakte van Bauen met de bootjes en de hooischelven, klein tegen de achtergrond-vormende bergen’.
Toch draagt dit schilderij een klein raadsel in zich. Filarski werkte zoals eerder gezegd van half maart tot eind april 1917 aan eerder genoemd meer. Hij klaagde op een kaart aan zijn gastvrouw Lien Ebels dat daar nog altijd sneeuw lag en dat het er bitterkoud was. Dat was in maart 1917. Hoe kan hij zo’n evident ‘najaarsschilderij’, met kale boompjes en de laatste hooioppers op het land, tegen een achtergrond van rijk gekleurde bergen met alleen daar sneeuw waar hij eeuwig thuis hoort, in het voorjaar hebben geschilderd? Er heerst daar wel een landklimaat maar zo snel zal het gras daar ook weer niet groeien. Al zette Filarski in zijn artistieke vrijheid de oppertjes daar wel sneller neer dan de boer!”

Uit: Renée Smithuys, D.H.W. Filarski. Zwervend schilder van de Bergense School. Uitgeverij Terra Lannoo BV, Warnsveld 2005

Afb.: 'De Vlakte van Bauen' (1917)
 

Over Dirk Filarski: https://nl.wikipedia.org/wiki/Dirk_Filarski

 

 

20-07-2021

Aldus de schrijver (115)

 

 

“Ik ben sinds kort vierendertig, de helft van mijn leven. Mijn lengte is middelmatig, of iets aan de kleine kant. Mijn haar is donkerbruin, kort, om het krullen tegen te gaan en vanwege een dreigende kaalheid. Voor zover ik dat zelf kan beoordelen zijn mijn karakteristieken: een kaarsrechte nek, steil als een muur of een rotswand, volgens de astrologen kenmerkend voor hen die in het teken van de Stier geboren zijn; een hoog, nogal bultig voorhoofd, met erg gezwollen en kronkelende aders bij de slapen. Dat hoge voorhoofd houdt naar de astrologen beweren verband met het teken van de Ram. Ik ben inderdaad op 20 april geboren, dus op de grens van die twee tekens: de Ram en de Stier. Mijn ogen zijn bruin, de randen van de oogleden zijn gewoonlijk ontstoken; ik heb een frisse huidkleur en schaam mij voor het feit dat ik gauw bloos en voor mijn glimmende huid. Mijn handen zijn mager, nogal behaard, de aders zijn duidelijk zichtbaar. Mijn twee middenvingers zijn aan het eind wat gebogen, wat wijst op een zekere zwakte, iets ontwijkends in mijn karakter.”

Uit: Michel Leiris, Arena. Vertaald uit het Frans door Kees Jongenburger. Uitgeverij De Arbeiderspers (reeks Privé-domein), Amsterdam 1981

Over Michel Leiris: https://nl.wikipedia.org/wiki/Michel_Leiris

 

17-07-2021

Aldus de schrijver (114)

 

“Gesnoeide liguster ruikt nog altijd naar zure appels, net als toen ik zestien was; maar dat is een van de weinige overblijfselen van vroeger. Op die leeftijd leek alles meer aanleiding te geven tot analogieën, tot metaforen, dan nu. Er waren meer betekenissen, meer interpretaties, er was een grotere verscheidenheid van beschikbare waarheden. Er was meer symboliek. Overal zat meer achter.
De mantel van mijn moeder bijvoorbeeld. Die had ze zelf gemaakt, op een paspop die onder de trap bivakkeerde en waaruit je alles en niets te weten kwam over het vrouwelijk lichaam (begrijpt u wat ik bedoel?). Die mantel was aan twee kanten draagbaar, helderrood aan de ene kant, een grote zwart-witte ruit aan de andere; de revers, die van de stof aan de tegenkant waren gemaakt, zorgden voor wat in het patroon ‘een zweem van contrast aan de hals’ werd genoemd en pasten bij de grote, vierkante opgestikte zakken. Het was een zeer knap stuk werk, dat zie ik nu wel in; toen bewees het voor mij dat mijn moeder een draaikont was.”

Uit: Julian Barnes, Metroland. Vertaald uit het Engels door Else Hoog. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen. Tweede, herziene druk 2020
 

Over Julian Barnes: https://nl.wikipedia.org/wiki/Julian_Barnes