19-07-2019

'La Tesa'




La Tesa

Ritselende blaadjes onder onze voetstappen,
maar volop zomer. Wat geweest is, zal zijn,
zei Pavese, en we zien de roestige knopen
van andere jaren in het hoge, droge gras,

het troebele water van eerdere dagen.
Bomen tonen ons hun ingewanden, wonden
van ingeslagen licht, een huid zo zwart
als as. Men ziet ons in het bos, wij

die vandaag ongemakkelijk zwerven, muggen 
gadeslaan in hun ongedurige paringsdans.
Onze zintuigen in samenspraak, zoveel nabijheid, 
zoveel afstand, en alles aanwezig dit moment, 

de neerwaartse ronding in de spiraal
van de wijngaardslak, de onzichtbare hand
in het borduursel van de varenplant. Nog is

het pad bedauwd, nog is het geen nacht.

 frb


Uit: Transit, Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2012



14-07-2019

De eerste alinea (87)



"Philipp Perlmann was eraan gewend geraakt dat de dingen voor hem geen tegenwoordigheid hadden. Maar deze ochtend was het erger dan anders. Onwillekeurig liet hij het Russische grammaticaboek zakken en keek naar de hoge ramen van de veranda, waarin zich een scheefgegroeide pijnboom spiegelde. Daar, in die veranda, aan de glanzende mahonie tafels, zou het gebeuren. Vol verwachting zouden ze naar hem, de spreker, kijken, en dan, na een langdurige, ondraaglijke stilte en een angstig stokken van de tijd, zouden ze het weten: hij had niets te zeggen."


Pascal Mercier, Perlmann's zwijgen. Vertaald uit het Frans door Gerda Meijerink. Uitgeverij De Wereldbibliotheek, Amsterdam 2007

09-07-2019

'In het klaarlicht'





In het klaarlicht

Als dan het zand verstuift, de duinpan rond om
te ontvangen, dan, in andermans droom, duik ik

weer op. En kom om mij te omringen, mooier dan 
ooit, met jou uit de schemer van het sparrenbos,  

het omtrekloze, te herkennen aan het zwenken van 
         het duister, hangend aan de takken, zwaaiend steeds, 

ik beneden, omsloten door de golven – zwem jou tegen, 

de zee in, die pijnloos is, achter de branding door.

 frb


Eerder verschenen in De trein loopt prachtig binnen, 
Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2003




03-07-2019

Aldus de schrijver (20)



"De inspiratie die nodig is voor het schrijven van gedichten, maar net zo goed voor het rollen van een sigaret of het oversteken van de straat, kun je misschien op gang brengen door alvast met schrijven te beginnen. Maar wanneer zij niet ontvlamt is alle moeite vergeefs. De heftigheid van een dichterlijke roes kan nooit een garantie zijn voor het resultaat dat wordt afgeleverd. Maar zonder 'de storm van driftig bidden', zoals Lucebert het heeft genoemd en waarmee hij meteen een uiterste heeft aangegeven, slaagt een dichter er niet in de ontvankelijkheid te scheppen die voor het schrijven even noodzakelijk is als een vormgevend en controlerend vermogen. Inspiratie is een vorm van plezier die zich tot een weergaloze wellust kan verdiepen, maar ze kan ook een kwelling betekenen, een razernij die te vergelijken is met het op hol slaan van een hart door een te grote afscheiding van adrenaline. Gescheiden van de anderen, voor wie de dichter al die moeite doet, is hij tegelijk in zichzelf verdeeld en verstrooid. Hij krijgt een moederlijk, sterker: landschappelijk gevoel (moeders zijn vrouwen in wie het instinct tellurische afmetingen heeft aangenomen), een mystieke ervaring die niet zijn doel is maar zijn middel, een ervaring waaraan hij zich niet slechts overgeeft, maar die hij ook probeert te beheersen, dienstbaar te maken aan een vormbeginsel, een idee, een levenshouding of een levensbeschouwing die zoveel mogelijk in beweging blijft."

Uit Adriaan MorriënPlantage Muidergracht. Uitgeverij De Arbeiderspers (serie Privé-domein), Amsterdam 1988


28-06-2019

'In de loop van de Maas'



Deze rivier brengt haar eigen verhalen mee, schuift 
ze traag maar willig voor zich uit, soms onstuimig 
genietend, soms ontdaan, volgepakt met
herinneringen aan het achterland: bonkige 
containers op een industrieterrein, gewemel 

op een Luikse zondagsmarkt, vuursteenmijnen, 
mergelgrotten. Ze sluipt aan jachthavens en
roeiverenigingen voorbij, danst losjes 

om zeilboten heen, stuurt fronsende golfjes vooruit – 
vrolijk gegiechel van een zoenend paartje in het gras. 

Zoals de Maas het grindgat omhaagt, het grindgat 
de rijke bosschages, de bosschages de heuvelrug, 
zo omarmt het water hier het wijde landschap 
om zich heen. De wind wordt gevraagd 
om in de stille weerschijn van het avondrood 

langzaam in te dalen, niet sneller dan een afgebroken 
boomtak die in alle rust voortdrijft, niets vermoedend 

van het onbestemde, de wazig lonkende einder.

 frb

Dit gedicht verscheen in een reeks van 12 gedichten onder de titel 
In de loop van de Maas. 
Een publicatie van Van Eyck, Maastricht 2016. 
Het boekje werd gedrukt in het Charles Nypels Lab.



24-06-2019

Aldus de schrijver (19)



Karl Ove Knausgård over Edvard Munch (4)

"Dit schreef Munch zelf over zijn schilderijen uit de jaren negentig:

'Ik schilderde het ene schilderij na het andere op basis van de indrukken die ik ooit had verzameld – schilderde de lijnen en kleuren die zich op mijn innerlijke oog bevonden – op mijn netvlies.
   Ik schilderde alleen wat ik me herinnerde, zonder er iets aan toe te voegen – zonder details die ik niet meer zag. Vandaar de eenvoud van de schilderijen – die schijnbare leegte.
   Ik schilderde echo's uit mijn jeugd – in de vage kleuren van die tijd.
   Door de vertroebelde kleuren, lijn en vorm te schilderen die ik ooit had gezien – hoopte ik de sfeer van toen weer te geven, net als een grammofoon.
   Zo ontstonden de beelden van mijn Levensfries (beelden die het totale leven weergeven -red.).'

Hij schilderde met andere woorden zijn herinneringen, en probeerde de gevoelens die ze toen in hem opwekten opnieuw tot leven te brengen. De herinneringen waren definiërend, of werden het terwijl hij ze schilderde; het waren die herinneringen vanwaaruit hij zichzelf begreep, of waarin hij op zoek kon gaan naar wat hem had gemaakt tot de man die hij was."

Uit: Karl Ove Knausgård, Zoveel verlangen op zo'n klein oppervlak. Een boek over de schilderijen van Edvard Munch.Uit het Noors vertaald door Sofie Maertens en Michiel Vanhee. Uitgeverij Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2018

Afbeelding: Edvard Munch, De levensdans, 1899-1900


21-06-2019

Aldus de schrijver (18)



Karl Ove Knausgård over Edvard Munch (3)

"Munch wilde rechtstreeks naar de essentie, en hoewel zijn temperament koeler is, zijn levensinzicht geringer, en het goddelijke en de genade in zijn schilderijen geheel afwezig zijn, bezitten ook zij zoveel kracht dat ze de esthetische waardeoordelen buitenspel zetten. Munchs domein was niet de extase en de religie, het goede en het kwade, maar het leven en de dood, de vrouw en de sexualiteit, en boven alles de eenzaamheid. Ik ben ervan overtuigd dat hij de essentie zocht, de waarheid die niet verandert; maar zijn beeld van de vrouw, bijvoorbeeld, zo verankerd als het was in angst en lust, en zijn beeld van de dood in een alomtegenwoordige grootheid, nooit ver weg van de sexualiteit, komt nu naar voren als typisch voor die tijd, de fin-de-sièclesfeer waarvan de kunst en de literatuur het decennium voor de eeuwwisseling doordesemd waren. Die sfeer hoorde bij Munch en zijn persoonlijke verlieservaring, en die hoorde bij zijn tijd, maar niet bij ons. En daarin schuilt ook een fascinatiekracht: doordat iets persoonlijks en tijdgebonden als algemeen geldend en universeel wordt voorgesteld, wordt het bijna monumentaal vreemd, alsof het vanuit een andere wereld naar ons toe is gezonden: de wereld eenzaamheid, de wereld seksuele angst, de wereld verleidster, doodsvrouw."

Uit: Karl Ove Knausgård, Zoveel verlangen op zo'n klein oppervlak. Een boek over de schilderijen van Edvard Munch.Uit het Noors vertaald door Sofie Maertens en Michiel Vanhee. Uitgeverij Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2018

Afbeelding: Edvard Munch, De broche, steendruk 1903. Afgebeeld is de Engelse violiste Eva Mudocci, de minnares van Munch.




18-06-2019

Aldus de schrijver (17)



Karl Ove Knausgård over Edvard Munch (2)

"Telkens als ik Melancholie zie, sta ik versteld van de milde en bedroefde gezichten aan de hemel, die ook in mij ontstaan, ergens ver buiten het bereik van de reflectie. En grijpt de reflectie dan toch in, dan is dat bijvoorbeeld met de gedachte dat het trieste hoofd op het voorplan er eigenlijk nogal idioot uitziet en het schilderij een beetje dom maakt, alsof de gedachte het gevoel wil corrigeren, er de draak mee wil steken. Telkens als ik de vrouw en de man op het strand zie, sta ik versteld van de eenzaamheid die ze in zich hebben, en hecht mijn eigen eenzaamheid er zich aan vast, maar niet op een pijnlijke manier, het is meer of ik haar ineens ontdek en begrijp dat ze een fundamentele voorwaarde is voor iedereen, dat het er in het leven eigenlijk om gaat die eenzaamheid te overwinnen. Want al die schilderijen zijn existentieel geladen, en de lading ligt in de gevoelskracht, die het overigens banale overschaduwt. Dat is volgens mij de enige reden waarom juist Munchs schilderijen die tijd en die stijlepoche hebben overleefd. Voor het overige was het symbolisme al bijna dood nog voor het bestond."

Uit: Karl Ove Knausgård, Zoveel verlangen op zo'n klein oppervlak. Een boek over de schilderijen van Edvard Munch.Uit het Noors vertaald door Sofie Maertens en Michiel Vanhee. Uitgeverij Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2018

Afbeelding: Edvard Munch, Melancholie, 1894-1896


14-06-2019

Aldus de schrijver (16)



Karl Ove Knausgård over Edvard Munch (1)

"Ik herinner me de eerste keer dat ik Munchs schilderijen in het echt zag nog goed. Het was in Oslo, in de Nationale Galerie, ik moet ongeveer achttien zijn geweest en had tot dan toe nog maar zelden een museum bezocht en was niet bijzonder geïnteresseerd in kunst. Ik was meer bezig met muziek en literatuur, maar niet vanuit een honger naar kennis of een verlangen naar inzicht – de muziek was deels identiteitsbepalend, die zei iets over wie ik wilde zijn, en deels een gesprek waar mijn gevoelens speelruimte kregen, waarin ik alle stemmingen die ik in mij had, kon ventileren, zonder dat ik daar ooit bij stilstond, de verhouding was onbewust, terwijl het bij de literatuur in de eerste plaats om een vlucht voor de werkelijkheid ging, de vreugde andere en vreemde werelden te kunnen betreden.
Waarom ik in Oslo was, herinner ik me niet, er is me niets van de context bijgebleven, maar waarschijnlijk was het een uitstapje met een middelbareschoolklas. Wat ik me wel herinner zijn al die Noorse nationaalromantische schilderijen, dat ik er enthousiast over was en onder de indruk was van hun natuurgetrouwheid. En vervolgens herinner ik me hoe ze door ruimte met Munchs schilderijen werden overklast, dat Munchs schilderijen zo'n bijzondere uitstraling hadden dat alle andere schilderijen erbij verbleekten."

Uit: Karl Ove Knausgård, Zoveel verlangen op zo'n klein oppervlak. Een boek over de schilderijen van Edvard Munch. Uit het Noors vertaald door Sofie Maertens en Michiel Vanhee. Uitgeverij Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2018

Afbeelding: Edvard Munch, 'Zelfportret vóór woonhuis', 1926


07-06-2019

De eerste alinea (86)


"Mattis keek of de hemel die avond helder was en onbewolkt, en dat was zo. Toen zei hij tegen Hege, zijn zus, om haar op te vrolijken: 'Je bent net een bliksem.' Hij huiverde even bij het woord dat hij in zijn mond had genomen, maar het was veilig omdat de hemel mooi was."


Tarjei Vesaas, De vogels. Vertaald uit het Noors door Marin Mars. Lebowski Publishers, Amsterdam 2018.

31-05-2019

Dichtregels



Wandelaars op een landweg in de buurtschap Ubachsberg (gemeente Voerendaal, Limburg) lezen op een boomstam:

Zingen wij mee met de vogel die de dag kleurt, 
ons sprankelend aanwezig maakt in vervuld verlangen.

De woorden werden op initiatief van Dichter in Beeld aangebracht bij gelegenheid van het uitreiken van de Leo Herberghs Poëzieprijs 2018. 
Meer hierover vindt u op de website van deze stichting.



26-05-2019

De eerste alinea (85)



"Ik word oud, ik ken mezelf niet. Het heeft me altijd al aangetrokken, dat beeld van ouderdom: de oude man en het jonge meisje. Ik weet niet waaraan het me doet denken, aan een vergrijp misschien, of aan de natuur; het geweld en de wreedheid van de natuur, haar onschuld. Het is maar de vraag wie de schuldige is. Hij die op de stoel zit, of zij die boven op hem zit, op zijn schoot, gekleed in een diep uitgesneden chique, zwarte jurk."


Uit: Tomas Espedal, Buiten de orde. Vertaald uit het Noors door Marianne Molenaar. Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam 2018

19-05-2019

In Memoriam Leo Herberghs (1924-2019)



I.M. Leo Herberghs (1924-2019)

Wassende maan als jij je overgeeft aan de nacht.
Het pad vóór je sluit de stilte in, takken bewegen

niet meer, het gras een zwarte deken. Je loopt 
de heuvel op, de beek beneden trekt geruisloos met je mee.

Dan breekt de zon door, jij de wandelaar blijft staan daar,
onbeweeglijk in het licht. Je gaat, je woorden blijven

echoën in het dal. Het bos, in diepe rouw, keert zich om,
sprokkelt je voetstappen, raapt ze liefdevol bijeen.


 frb

De dichter Leo Herberghs overleed op 10 mei 2019.

Foto: Ziggy Beckers


11-05-2019

De eerste alinea (84)


"Voor mij die het gezelschap van mannen mijdt omdat hun gesprekken me stierlijk vervelen, was het beslist een lot uit de loterij, om me na acht jaar kostschool met streng regime (drie bejaarde nonnen met ontluikende snor als enige vertegenwoordigsters van het vrouwelijk geslacht) nu te bevinden onder de leden van het reserveteam van de Amicale Logréenne, in zo'n treurige kleedkamer zoals je ze aantreft op het platteland, neergepoot aan de rand van een veld dat zonder de met kalk getrokken lijnen en de doelpalen veel gelijkenis zou vertonen met een omgeploegd stuk bouwland –, en dit zonder dat ik het werkelijk had gewild, alleen bij gebrek aan beter, als een oeroud medicijn tegen de zondagse verveling."

Jean Rouaud in De wereld bij benadering. Uit het Frans vertaald door Marianne Kaas. Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 1997


04-05-2019

Rob Stultiens en Pierre Kemp


          De la musique avant toute chose
Toen ik die boog daar had geürineerd
en ik het zonlicht er in ving, prees ik intens,
ver van de wijsheid, die mij was geleerd:
Wat schoon kristal is er toch in de mens!
En in extase voor het lieflijke geluid:
Welk een muziek gaat van de mens toch uit!

Pierre Kemp  in zijn dichtbundel Nog altijd meten zich begeerten met vaarwellen (1953). Opgenomen in Pierre Kemp, Verzameld Werk I, Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 1976

Bovenstaand beeld is van Rob Stultiens. Het staat in Kempland te Maastricht. In 2016 werd het grondig schoongemaakt. Het gedicht staat op de achterzijde van het beeld. Lees hierover het artikel van Wiel Kusters op de website van de Pierre Kemp Stichting.


02-05-2019

Over beeldhouwer Rob Stultiens (8)



We zijn uiteindelijk niet meer dan een voetstap in het natte zand op weg naar morgen als wij ons de tijd niet nemen om de muzen te verstaan, het gelukzalige moment als zij naar ons reiken, hun hand vol schoonheid. Rob Stultiens, zo lijkt het, wordt zijn hele leven toegelachen door deze muzen. Hij droomt hun dromen mee, ontwart wat ongrijpbaar leek, en herinnert zich de duur van de dagen, de aandacht voor het leven. Van alle stenen die hij onder handen nam, weet hij het geheim, zoals hij ook de koorts kent die bij het scheppen in hem woedt, onbedwingbaar als de voortgolvende tijd tegen de echo van een oneindig stromen.
Telkens vol verbazing sluit hij wat hij nieuw ontdekt heeft in zijn armen, alles wat hem overkomt, alle vragen in een voortdurend zoeken en tasten het mysterie te doorgronden. Hijzelf is de steen waarin hij hakt, de aarde, het water; hijzelf de oceaan, luisterend naar de getijden; hijzelf het antwoord op al zijn vragen.
Zo uiteindelijk schept hij als een van de centrale beelden in zijn recente werk ‘Het schrijn van de geheimen’ als kostbaar kleinood voor het altijddurende begin en nietaflatende einde waar, boven de silhouetten van man en vrouw, vogels op hun nesten het lied van tijd en leven zingen. Wat anders dan een teken van liefde-over-de-dood-heen wordt in dit stenen schrijn uitgebeeld en bewaard?


Rob Stultiens slaagt er telkens in het leven bestemming te geven – de hoogste vorm van zijn. Daarin hoort hij een stem in de wind die hij vastlegt in steen, net zoals hij de schemering vangt die afdaalt in het gras, of het kind uit vroege jaren, ergens aan de zomen van de Jeker, dat zich verwondert over zijn eigen groei en onbewust van de jaren die voor hem liggen, vertederd lacht bij het kleuren van een herfstblad.


(Foto: 'De zaaier', Limburgiastraat, Heerlen, 1963)


De beschouwingen over het werk van Rob Stultiens verschenen eerder in Frans Budé, Het perfecte licht, Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999



01-05-2019

Over het werk van Rob Stultiens (7)




‘De tijd gaat’ noemt Stultiens een van zijn recente beelden uit een reeks van dertien, alle uit grijs/zwart graniet. De tijd gaat, ook als wij er niet meer zijn, beweegt het draaiende bestel de slinger in een patroon van licht en schaduw. Liefde, tederheid, en hartstocht, ik noemde ze al, zijn voor deze beeldhouwer de vertrekpunten; je kunt er nieuwsgierigheid en vakmanschap aan toevoegen. 
In ‘Het testament’ legt hij de nadruk op de vervlechting van herinneringen, het koesteren van de grote tederheden, en flirt hij ijskoud met de dood in het manshoge beeld dat hij ‘Engel des doods’ noemt. Ik houd van deze sublieme voorstelling, de manier waarop hier het leven met de dood wordt verenigd. Uit liefde tot leven gewekt – het pronte geslacht van een vrouwelijke engel verwijst daar mogelijk naar – komt aan het eind, ver voorbij de bron, en los van het hier-en-nu de dood. In een zwarte bedding wacht hij ons op om ons uiteindelijk voorgoed op te nemen in het ultieme bestel dat Tijd heet. 

Maar eerst en vooral zijn er tijdens het leven de jaren van herinnering. Rob Stultiens roept ze terug en lost ze op in de eeuwigheid die eraan vooraf is gegaan en die nog volgt in de grenzeloze oneindigheid van de ruimten die híj niet kent en die hèm niet kennen, en hij verwondert zich erover dat hij zichzelf hier ziet en niet daar. Hier – dat is in de zang die tevens poëzie is, onttrokken aan de stroom van vergetelheid, de behoedende kracht die het verborgene van de dingen beschermt en die Stultiens tot uitdrukking brengt in beelden als ‘Het geheim van de poëzie’ en ‘Over de muziek’. Hier – dat is in zijn jeugdjaren vlakbij het dal van de Jeker waar hij ook een beeld uit de Testament-reeks naar vernoemde, het vruchtbare dal dat als Tuin van Eros later in zijn werk een belangrijke plaats zou krijgen. Hier is de hand op het beeld, dat ‘Het oog van Eros’ heet, het draagt een warme fluistering mee van al wat gevoeld, gedacht, gehunkerd wordt in het streven en verlangen van twee mensen om elkaar aan te vullen.

(Foto: 'Rode Robot', ijzer 1970. Hoek Geert Grootelaan/Kerkelandenlaan, Hilversum)

30-04-2019

Over beeldhouwer Rob Stultiens (6)



‘Het testament’ noemt Rob Stultiens de presentatie van zijn beelden in de nazomer van 1997, twee maanden voordat hij 75 wordt. Directer en confronterender kun je een tentoonstelling van je eigen werk niet noemen. Eenmaal gewend aan de zwaarte van het woord ontsluit het begrip zich vanzelf en ontvouwt het zich in beelden van leven en troost, weemoed en hunkering.
Nadrukkelijker dan ooit wil Rob Stultiens de bezoeker iets meegeven van  schoonheid en inkeer. Bij het dromen en scheppen heeft hij teruggekeken, en geordend, om het wezen van zijn leven als kunstenaar door te lichten. Zijn bezigheid ligt in het scheppen, het genot dat het leven schaft, moet gekoesterd worden – omdat het leven van óns is: de tedere aanraking, de menselijke stem evengoed als de zonsondergang of het lokkende roepen van verre pauwen in Stultiens’ tuin. Met de verbeelding die in zijn geest huist, vergeet Rob Stultiens voor een moment de pijn, die immers ook een deel van het leven is, en kapt hij in de harde beslotenheid van steen zijn herinnering aan langstrekkende dromen als opwellingen van het eigen, innerlijke landschap: opgebouwd uit lagen hartstocht, besef van tijd en ruimte, onder de strakke spanningsboog van aanzwellende herinneringen. Als een alles bewegende wind in het lover van een zomertuin waarvan men niet weet waarvandaan hij komt, noch waarheen hij gaat.

(Foto: beeldend  kunstenaar, en echtgenote van Rob Stultiens, Marijke Stultiens-Thunissen (1927), in 2017 tussen het werk van haar overleden man in de tuin van haar woonhuis).



29-04-2019

Over beeldhouwer Rob Stultiens (5)




‘Het testament’ noemt Rob Stultiens de presentatie van zijn beelden in de nazomer van 1997, twee maanden voordat hij 75 wordt. Directer en confronterender kun je een tentoonstelling van je eigen werk niet noemen. Eenmaal gewend aan de zwaarte van het woord ontsluit het begrip zich vanzelf en ontvouwt het zich in beelden van leven en troost, weemoed en hunkering.
Nadrukkelijker dan ooit wil Rob Stultiens de bezoeker iets meegeven van  schoonheid en inkeer. Bij het dromen en scheppen heeft hij teruggekeken, en geordend, om het wezen van zijn leven als kunstenaar door te lichten. Zijn bezigheid ligt in het scheppen, het genot dat het leven schaft, moet gekoesterd worden – omdat het leven van óns is: de tedere aanraking, de menselijke stem evengoed als de zonsondergang of het lokkende roepen van verre pauwen in Stultiens’ tuin. Met de verbeelding die in zijn geest huist, vergeet Rob Stultiens voor een moment de pijn, die immers ook een deel van het leven is, en kapt hij in de harde beslotenheid van steen zijn herinnering aan langstrekkende dromen als opwellingen van het eigen, innerlijke landschap: opgebouwd uit lagen hartstocht, besef van tijd en ruimte, onder de strakke spanningsboog van aanzwellende herinneringen. Als een alles bewegende wind in het lover van een zomertuin waarvan men niet weet waarvandaan hij komt, noch waarheen hij gaat.

(Foto: 'Rood is in', ijzer 1975)

28-04-2019

Over beeldhouwer Rob Stultiens (4)


Orpheus doet zijn intrede. Naast de ‘Tuin van Eros’ doemt het ‘Nachtwoud’ op. Buiten het lapidarium houdt Endymion de wacht, binnen spreken sculpturen als 'De dromen', 'De mythe', 'Salomé', 'De stenen zullen spreken' en 'Pavane pour une princesse défunte' een eigen taal. Krachtig getekende beelden, sommige maken een vuist, andere strelen zo zacht dat ze in het licht worden opgetild. Dun en transparant, ijl en bijna esoterisch ontdoen zij zich van hun geheimen en spreken ze over reizen door het leven, ons, met hun sierlijk ingekraste handen, de vingers vaak als de broze nerven van een blad. Rob Stultiens is geen navelstaarder; hij bedoelt niet meer dan wat hij laat zien: de mens die zich blootgeeft. Zoals hij zelf ooit schreef: 'Ze klagen niet aan en keuren / niet goed, maar ze vragen / aandacht. Want hun boodschap / deze beelden bedoelen zich zelf.'

(Foto: muurreliëf – een van de vijf –Sociale Academie Sittard, 1960)