Vroege lente
In elke stille lente vliegt wel eens een vogel
tegen een dichtgeklapt raam. Ik zoek de merel
verloren in het takgewas, raap het uit de lucht
gevallen verengoed. Vanwaar die schrik?
De bloesems sterven snel dit jaar, de mol graaft
in de verkeerde hoek de ingeslapen wormen weg.
Te vroeg dit voorjaar dat ik naar buiten ga,
de tuin ligt onder sluimerzaad. Een beetje schraal
klimt daar een stengel uit, hij breekt het dorre
van de straat, vangt het licht dat
als een vreemde komt – dun de schaduw
aan het raam dat langzaam weer opengaat.
frb
Uit: Hetzelfde anders. 21 dichters en de lente. Atalanta Pers, Baarn 1997

Geen opmerkingen:
Een reactie posten