“Hij trok zijn knieën op tot zijn buik en hield zijn ogen open. Alles om hem heen was donker. De regen en de nacht hadden het bos uitgewist, en de novemberkou die aan zijn gezicht likte leek nog ijziger dan eerst. Het bed van naalden was modderig geworden. Om hem heen steeg een greppelgeur op. Hij rilde tot het eerste ochtendlicht, en toen de dag eindelijk verscheen, was het een kreupele, ellendige dag.
Hij kroop uit de kuil. Met moeite stond hij op, zette een paar onzekere stappen. Het was alsof hij opnieuw moest leren lopen. Een melkachtig licht weekte de bomen een voor een los uit de duisternis. Door de nevel kreeg hij bij vlagen de indruk dat ze op hem afkwamen, als reusachtige beelden, rijdend op hun sokkel. In de lucht krabden de kraaien aan de buiken van de wolken. Hij probeerde de panden van zijn jas uit te wringen, maar zijn vingers waren te verkleumd, ze waren krachteloos. Hij verliet de den zoals je een vriend verlaat die je opeens koud laat, die niets meer voor je kan doen.”
Uit: Philippe Claudel, Een Duitse fantasie. Vertaald uit het Frans door Manik Sarkar. De Bezige Bij, Amsterdam 2021
Philip Claudel: https://nl.wikipedia.org/wiki/Philippe_Claudel
Manik Sarkar: https://nl.wikipedia.org/wiki/Manik_Sarkar_(schrijver)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten