De mol
Aarde die ’k adem in den zwaren nacht,
voor honger aarde en aarde voor den dorst;
mijn zachte en warm met bloed gevulde borst,
mijn longen voor de lucht, met aard bevracht.
Oogen waarin het zonlicht vloeide lijk
de gouden gloed in Danaë’s schoot, herboren
als gouden zoon uit de oogen om te gloren
met glans en wederglans, ontaard in slijk.
Aarde getorst door mij, gewicht van grond
met vingers doorgegraven tot een gang
en achter deze gang een andre gang zoo lang
dat hij in andren grond, in grond uitmondt.
Gedolven in een graf, sprakeloos en vaal,
gevoed met wortelen en worm en zaad,
terwijl de blauw-en-groene pauw bestaat,
het paard, ’t hert met gewei, de nachtegaal.
Christine D’haen, Miroirs. Gedichten vanaf 1946. Uitgeverij Querido, Amsterdam 2002
Danaë (Gr.), strofe 2: koningsdochter die in haar gevangenis door Zeus werd bevrucht in de gedaante van een gouden regen.
https://nl.wikipedia.org/wiki/Christine_D'haen

Geen opmerkingen:
Een reactie posten