16-02-2019

Bij een werk van Elizabeth Peyton


L.A. (E.P.)

Eerst het ochtendlicht waarin het laatste
restje nacht verdwijnt, zondagse slippers
aan de rand van het zwembad, geur van
water dat ik ken. Trouw bewaakt de hond

zijn schaduw. Alsof mijn lijf van porselein. 
Achter de openstaande deur de helft van 
een duisternis. Betovering als ik het natte

haar kam, de handen openvouw, in kalmte
binnentreed. Mijn smal profiel dat lichaam
wordt, zich uitspreekt op een zomerdag,

zichzelf herkent – als schaduw, als huid.



L.A. (E.P.) is een werk van Elizabeth Peyton uit 2004. Olieverf op board, 35,6 cm x 28,6 cm

Gedicht verscheen eerder in Frans Budé, Peyton's Facebook, een uitgave bij de tentoonstelling 'Live Forever: Elizabeth Peyton'Bonnefantenmuseum, Maastricht 2009


09-02-2019

De eerste alinea (81)


"Mijn vader was een van de enige twee kinderen die in de bitter koude herfst van 1939 werden geboren in het uit sintelblokken opgetrokken ziekenhuis van Old Buckram. Het andere kind, een jongetje dat niet lang genoeg bleef leven voor een naam en voor een ziel die kon worden gered, werd door zijn moeder begraven op een heuvel vlak bij het dorp toen de grond genoeg was opgewarmd om een echt graf voor hem te graven. Er was geen mis, er werd geen psalm gezongen. Zijn grafsteen, als je het zo zou kunnen noemen, was een grote, gladde kei uit de beek. De jongen werd te ruste gelegd met alleen het onuitgesproken gebed van de moeder tot een afwezige God. Ze vroeg hem om haar zoon de erfzonde te vergeven en om hem alstublieft toe te laten tot de hemel, waar hij de komst van de anderen kon afwachten totdat God in Zijn wijsheid besloot dat hun tijd gekomen was."

Phillip Lewis, Een andere stilte ('The Barrowfields'). Vertaling uit het Engels: Lidwien Biekmann. Em. Querido's Uitgeverij BV, Amsterdam 2018


06-02-2019

Gedichten op video (15)


Oktober

Weer wordt het herfst. Weer gaat het dromen onder.
Het blad verkleurt. Nog is de hemel blauw
voordat de stormen komen. 'k Denk aan jou,
dat jij bestaat, aan dat ik niets ben zonder

jouw beeld in mij, aan dat het breken zou,
aan woorden die wij niet herroepen konden,
en aan die avond dat wij elkaar vonden,
aan ganzenvlucht, zonsondergangen, kou.

En aan het einde, misverstanden, zonden
van zelfmisleiding, te voorzien berouw,
aan het vergeefse dat wij eens bestonden,
aan dat voorbijging dat ik dacht aan jou.


Uit: C.O. Jellema, Verzameld werk. Gedichten. Em. Querido's Uitgeverij BV, Amsterdam 2005

Jack W. Beneker componeerde de melodie en voert het hier uit met cellobegeleiding van Marriette Laport.




02-02-2019

Over Johan Tahon en zijn werk


Afgelopen maand verscheen er een uitgave van het Bonnefantenmuseum over het werk van de Vlaamse, internationaal gewaardeerde beeldhouwer Johan Tahon wiens tentoonstelling Wir überleben das Licht afgelopen jaar grote aandacht trok.
Museumdirecteur Stijn Huijts en kunstkenner Michaël Amy gaan in op het werk. Peter Cox en Gert Jan van Rooij zijn de fotografen die meewerkten. Van mij werd de de zevendelige gedichtencyclus 'Tocht' opgenomen. Beneden een van de gedichten uit deze reeks.
Dit bijzonder mooi vormgegeven cahier is verkrijgbaar in de museumwinkel of te bestellen via de webshop.


In zalvende dromen gewikkeld zetten we telkens
een stap voorwaarts, hoofd en romp, been en voet
in geordende samenhang. De ogen niet gericht,
de blik inwaarts gelegd waar geen littekens, geen
open wonden, hooguit dat wat eerder niet verwerkt
broeit of spant. En toch – in al onze holtes groeit
onzichtbaar een kracht achter het overdadige 
geruis van de wereld om. Wat ooit onder onze
krijtwitte schedel verzonk, zal straks naar buiten
treden, voor op de tong gaan liggen, bij ieder die ons
ziet een trilling veroorzaken en verlokkend uitgroeien 
onder stramme boomtakken en doorzichtige wolken 
tot een witte welving onder het hele hemeldek. 


frb

27-01-2019

Beschouwingen over 'Zoveel nabijheid' (5)


Mieke Wijnants op haar log 'Mieke Wijnants recenseert' over de dichtbundel Zoveel nabijheid:

"(...) De beeldende schrijfwijze zorgt ervoor dat de gedichten tot leven komen. (...) Afwisselend wordt het leven omarmd; verafschuwd bij radeloosheid en uitzichtloosheid. Heftige gevoelens kunnen worden opgeroepen. Het tot de verbeelding aansprekend gedicht ‘Orkaan’ is hartverscheurend. (...) Frans Budé is een dichter met veel klank en kleur, inlevingsvermogen en een scherp observatievermogen. Mede gezien door de afwisseling aan thema’s, is dit een bundel geworden die menig lezer zal aanspreken. Over elk gedicht is nagedacht en zet de lezer aan tot nadenken. De prettig leesbare gedichten hebben gelijktijdig de verborgen kracht dat je ze meerdere keren kunt lezen en elke keer iets nieuws ontdekt.
Zoveel nabijheid is een bundel van herkenning en thuiskomen.
Stilte is alles wat rest na het lezen van deze bundel."


5*****

24-01-2019

'Thuis bij James Ensor'



Het is elke keer opnieuw een aangename verrassing om het e-magazine 'Het moment' door te nemen, het literaire tijdschrift dat beheerd wordt door 'magazijnmeester' Huub Beurskens met als 'correspondenten' Benno Barnard, Wiel Kusters en Laurens Vancrevel. 
Zo trof ik vandaag weer eens de reeks 'Thuis bij James Ensor' aan die in 2015 werd opgenomen in mijn dichtbundel Achter het verdwijnpunt. 
Wilt u ook eens heerlijk digitaal door het magazine bladeren, dan begint hier 'Het moment' om kennis te maken met proza en poëzie al of niet in vertaling. Ik wens u veel leesgenot.



22-01-2019

Beschouwingen over 'Zoveel nabijheid' (4)


Poëziekrant nr. 1,  jan-febr. 2019, jrg. 43 (een fragment uit een recensie door Ron Elshout):

"(...) De titel van de afdeling 'Verval' suggereert in eerste instantie nog wel de abstractiegraad van het vroegere werk, maar niets is minder waar: de reeks behelst een kalme, beschouwende, maar niets verhullende wandeling door een verlaten huis. Het tweede gedicht uit deze reeks:

Er is getuigenis van een eerder leven, duizend ogen
lijken mee te kijken hoe schimmels woekeren
op houten planken, in een ondiepe kast het skeletje
van een muis, schaafsel van leeggelopen schoenen.

Sleutels die je omdraait, doen dat onwillig en traag.
We zien hoe glazig het licht de kamer binnenvalt,
vertrouwd over de vloer loopt, stilhoudt alsof het iets
van vroeger zoekt, een glas op tafel dat verplaatst is,

een vaas van kristal om uitbundig op te twinkelen. 
Alles wat eerder was, pakt zich samen, doordringt ons 

met vervlogen tijd. Heel even voelen we ons verbleken

naast de schoonheid van een theedoek, lang bewaard.


Het is duidelijk dat Budés thematiek onveranderd de vergankelijkheid betreft, maar de beelden zijn concreet en de versificatie is van een grote zorgvuldigheid. De zin 'Alles wat eerder was, pakt zich samen, doordringt ons // met vervlogen tijd' vat het gedicht, van de afdeling, van de bundel afdoende samen. Zie hoe de dichter de beschouwer en het eeuwige licht nauwgezet laat samenvallen. Ten slotte vind ik het stoffelijke beeld in de slotregel getuigen van een adembenemend verzet tégen die vergankelijkheid,
Zoveel minutieus beschreven zintuiglijkheid is niet alleen een evocatie van 'de broosheid van het bestaan', zoals de tekst op de achterkant van de bundel het noemt, maar is tevens een verzet tegen 'de botheid van de dood', zoals die in de laatste afdeling, 'Galerij', in een aantal in memoriams voor kunstbroeders genoemd wordt. Frans Budé brengt beide naderbij – en daarmee zichzelf."


20-01-2019

De eerste alinea (80)



"Ik houd niet van dit appartement, omdat ik er mezelf niet als klein jongetje in zie spelen, we hebben het gehuurd toen we trouwden en het resultaat waren onze twee zonen, jouw astma en vooral mijn onbeholpen, slappe persoontje, toen ik nog vrijgezel was nam mijn moeder me in bescherming, niet tegen mijn vader, want die zag me niet eens staan, maar tegen mijn zussen en mijn broer, ze schepte over mij op tegen visite."

António Lobo Antunes, Als een brandend huis. Vertaling uit het Portugees: Harrie Lemmens. Uitgeverij Ambo | Anthos, Amsterdam 2014

17-01-2019

De eerste alinea (79)


"Ik open de avondkrant van gisteren, daarin staat iets over ons tweeën. Er staat dat in het begin opnieuw het woord zal zijn. Maar vooralsnog wordt er in de scholen als vanouds op gehamerd dat er eerst een grote explosie is geweest en dat alle materie alle kanten op is gevlogen."


Uit: Michaïl Sjisjkin, Onvoltooide liefdesbrieven. Uit het Russisch vertaald door Gerard Cruys. Uitgeverij Querido, Amsterdam 2013

10-01-2019

De eerste alinea (78)


"Een tijdlang was ze er niet zeker van of haar man wel haar man was, min of meer zoals je, in de halfslaap, niet weet of je denkt of droomt, of je geest nog stuurt of die door oververmoeidheid bent kwijtgeraakt. Soms geloofde ze van wel, soms van niet, en soms besloot ze niets te geloven en gewoon verder te leven met hem, of met degene die op hem leek, die ouder was dan hij. Maar zijzelf was ook ouder geworden tijdens zijn afwezigheid, ze was heel jong toen ze trouwde."

Uit: Javier Marías, Berta Isla. Uit het Spaans vertaald door Aline Glastra van Loon. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2018


05-01-2019

Aldus de schrijver (13)


"De Duitsche romantici hadden een groote liefde voor de natuur. Maar zij hielden van haar op eenzelfde wijze als de held in een roman van Toergenieff van dat meisje hield, van wie hij zegt 'Sophie beviel mij vooral, als ik met den rug naar haar toe zat, dat wil zeggen, wanneer ik aan haar dacht, wanneer ik haar in den geest voor mij zag, 's avonds vooral op het terras...' Misschien heeft slechts een van hen haar recht in het gelaat gekeken: Philipp Otto Runge, de Hamburgsche schilder, die het Nachtegalenboschje heeft gemaakt en De Morgenstond. Nooit meer is het groote wonder van zonsopgang zo geschilderd. Het groeiende licht, dat stil en stralend tot de sterren klimt, en, onder op de aarde, het koolveld, nog geheel doordrenkt van het diepe, benauwde donker van de nacht, waarin een naakt kindje – de morgen – is gebed. Hier is alles gezien en nog eens gezien. Men voelt de vele koele morgens en men ziet den schilder al opstaan voor de zon opging, en trillend van verwachting, naar buiten gaan om elk tafereel van het machtige schouwspel te zien en niets te missen van de spannende handeling, die daar begon."

Rainer Maria Rilke, Het landschap. 
Uit het Duits vertaald door A.A.M.S.
Uitgeverij A.A.M. Stols, 's Gravenhage 1944


29-12-2018

Aldus de schrijver (12)



"Daarom geloof ik dat literatuur een brug is tussen volkeren. En dat zich inleven in iemand een tegengif tegen fanatisme kan zijn. (...) Verbeeld je echt eens hoe de ander liefheeft, doodsangsten uitstaat, boos is of gepassioneerd. Er is te veel vijandschap tussen ons, te weinig nieuwsgierigheid."

Amos Oz (4 mei 1939–28 december 2018) bij de uitreiking van de Prince of Asturias Prize for Literature in 2007.


28-12-2018

H.C. ten Berge tachtig jaar



Zutphen. Oude IJsselbrug
voor H.C. ten Berge

Hoe in de nacht even voorbij de stalen brugwanden
brede kransen licht in cadans op het water deinen,

bladeren en takken onder het dek voorbijtrekken, 
flarden van wat is zoekgeraakt in verre achtertuinen.
Even later wringt het water zich in een bocht, wordt
spiegel voor de maan, dansvloer voor jubelende sterren.

Niet te stuiten noordwaarts gaat het tussen landerijen
en huizen door, want nooit is hij alleen, deze ratelende
stroom, nooit verdwaalt hij, alle dagen ijverig voorwaarts
brengt hij stemmen mee, galm van klaterende klanken.

Schuilend onder de brug de nachtelijke roeier, licht ontdaan, 
mistroostig misschien, maar niet getergd, eerder eenzaam 
wachtend op het voorbijtrekken van een snerpende wind,

niet wetend van de schrijver wat kilometers verderop bij wie 
in nachtelijke dromen beelden van ooit gemaakte reizen
binnensijpelen, uitstromen in een niet te stuiten vloed.

frb


Afgelopen maand werd H.C. ten Berge 80 jaar. Zowel Poëziekrant nummer 6 van november-december 2018 als De Gids nr. 2018/6 besteden deze maand veel aandacht aan Ten Berges verjaardag door middel van interviews en beschouwingen. Beide literaire tijdschriften namen daarbij recent geschreven gedichten van hem op.

Foto boven: © Wim Bannink



24-12-2018

De eerste alinea (77)


"Het is niet zo dat wonderlijke of bovennatuurlijke gebeurtenissen zeldzaam zijn, ze komen vooral onregelmatig voor. Zo kan er een eeuw lang geen enkel noemenswaardig wonder gebeuren, terwijl ze het volgende moment in groten getale voorvallen; dan zwermen er plotseling allerlei soorten monsters over de aarde, vlammen kometen aan de hemel, doen zonsverduisteringen de natuurwereld beven, regent het meteoren, verleiden zeemeerminnen en sirenes passerende schepen, slokken zeeslangen ze op en teisteren afschuwelijke rampen de mensheid."

David Garnett, Vrouw of vos. Uit het Engels vertaald door Irwan Droog. Uitgeverij Cossee, Amsterdam 2018


21-12-2018

Het dierenbestaan (5)



Ontroerend is het gedicht ‘Hond met bijnaam Knak’ van Jan Hanlo. De dichter schreef het om zichzelf te troosten, neem ik aan.

Hond met bijnaam Knak

God, zegen Knak
Hij is nu dood
Zijn tong, verhemelte, was rood
Toen was het wit
Toen was hij dood
God, zegen Knak
Hij was een hond
Zijn naam was Knak
Maar in zijn hondenlichaam stak
Een beste ziel
Een verre tak
Een oud verbond
God, zegen Knak


Door God erbij te halen brengt Hanlo de hond meteen op een hoger plan. Voor even wordt al het andere in een mensenleven ondergeschikt gemaakt aan het afscheid van een dier. De rust die met het uitspreken van de laatste regel over het geheel is gekomen, stemt tot een zekere overgave. De hond heeft uiteindelijk zijn grote baas gevonden.
 

Zelf schreef ik jaren geleden op verzoek voor de toen nog bestaande kinderbijlage van het weekblad Vrij Nederland onderstaand gedichtje. Kunstenaar P. ter Mors maakte er een tekening bij die me erg dierbaar is geworden: we zien onze dode poes Marra, na haar dood vakkundig opgezet en op een plank met wieltjes geplaatst…

 

Mijn kat is dood. Stil
is het. Haast winter. Breekbaar

gaat haar spoor nog door. Zo ver
is zij nog nooit gegaan.

Stokstijf lig ik wakker, vecht
als ik een vogel hoor.

Ik ken dat lied. Mijn kat is dood.
Plots kom ik daarachter.


 

Uit: Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999


20-12-2018

Het dierenbestaan (4)


Charles Beltjens, een in 1832 te Sittard geboren dichter die in het Frans schrijft, heeft vele jaren eerder al dezelfde gedachten in deze Jardin des Plantes: ‘Le condor captif’, de gevangengehouden condor, noemt hij zijn gedicht, een heel boek bijna, waarin hij zich oog in oog voelt staan met deze vogel uit de Andes die hij ziet wegkwijnen in een Parijse kooi.

Mens en dier – lang niet altijd zijn het odes. Jan Hanlo bijvoorbeeld heeft het niet zo op kamelen begrepen. In ‘Naar Archangel’ noteert hij: ‘Ik kan / Kamelen / Uw lucht / Niet velen.’
De Amerikaanse kunstenares Nancy Graves maakte eind jaren zestig twee kamelen, een Afrikaans exemplaar en een uit Mongolië. Ze staan in het Ludwig Forum in Aken. Ik reik over het touw dat de beesten afschermt, steek mijn neus in de vacht. Dode kamelen hebben een museumlucht. Is het daarom dat Marcel Broodthaers in 1974 een van de Antwerpse Zoo geleende kameel het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel binnenleidde in het kader van zijn installatie ‘Un jardin d’hiver’?
 

Ik blijf even op de grens van dood en leven. Toon Tellegen heeft het moeilijk met het gedomesticeerde roofdier kat als hij geconfronteerd wordt met de gruwelijke moord op de kanariepiet. De dichter brengt zijn emotionele ervaring in een gedicht onder:

Thuisgekomen stond alles open, lag alles
op de grond,
papieren scherven, de gele veren van een vogel.
Wij verloren elkaar niet meer uit het oog.



Bertus Aafjes schrijft heel teder over een meeuwenschedeltje op een vensterbank:

(...)
Het snaveltje van helder been
wijst naar verdwenen verten heen.
eens was het anders, machtig schoon
toen voerde het de boventoon,
toen stond het in een snel verband
met zee en storm en duin en strand,
toen kreet het boven alles uit
zijn onaantastbaar geluid
(...)


 

Uit: Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999

18-12-2018

Het dierenbestaan (3)


Parijs 1902. Rainer Maria Rilke – op een zonnige herfstdag op weg naar de dierverblijven in de Jardin des Plantes – kijkt sinds kort met de ogen van Rodin naar de wereld die hem omringt. De meester-beeldhouwer had hem immers geleerd ‘wie ein Maler oder Bildhauer vor der Natur zu arbeiten, unerbittlich begreifend und nachbildend.’
En de dichter komt ogen tekort. Diezelfde zomer van dat panterjaar schrijft hij enthousiast aan zijn vrouw over een gipsafdruk van een tijger die Rodins atelier siert, zo sterk en gedetailleerd dat je er niet omheen komt of de gipsen tijger en de gekooide panter vloeien die dag in de Jardin des Plantes op Rilkes netvlies ineen. De beeldhouwer had nog snel een ‘autorisation d’artistes’ voor hem geregeld, waardoor hij al voor elf uur de dierentuin mocht betreden.
Een week later is er het gedicht:

Der Panther
Im Jardin des Plantes, Paris 

Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
so müd geworden, daß er nichts mehr hält.
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe
und hinter tausend Stäben keine Welt.

Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
in der betaübt ein Großer Wille steht.

Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
sich lautlos auf –. Dann geht ein Bild hinein,
geht durch der Glieder angespannte Stille –
und hört im Herzen auf zu sein.

----------------
De panter
In de Jardin des Plantes, Parijs

Zijn blik is van het langsgaan van de stangen
zo moe geworden dat hij niets meer ziet.
Wel duizend stangen houden hem gevangen
en meer dan duizend stangen is er niet.

De zachtheid van zijn lenig sterke pas
die steeds de allerkleinste kring beschrijft,
is als een dans van kracht rondom een as
waarin een machtig willen is verstijfd.

Niet vaak meer trekt het scherm voor zijn pupillen
geluidloos op –. Dan gaat een beeld erdoor
naar binnen, glijdt door het van spanning stille
lijf naar zijn hart – en gaat teloor.

(vertaling Peter Verstegen)

De panter als afgezonderd dier, geïsoleerd, gekooid. Een gedicht met onverwacht perspectief, niet de blik van het dier gaat langs de tralies, maar de tralies schuiven langs zijn blik heen en weer. Het object, hier de panter, wordt zoals Rodin Rilke heeft voorgehouden ‘door haarscherpe observatie in zijn eigenlijke wezen doorgrond en zonder toedoen van een dichterlijk Ik uitgebeeld.'
In het gevangen dier zien wij vooral ook onszelf, onze eigen bewegingen, gevangen in welk stelsel dan ook. 

Uit: Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999 

Afbeelding boven: 'Panthère couchée' van August Gaul (1869-1921), steen.



16-12-2018

Het dierenbestaan (2)


‘Ich habe Hymnen die ich schweige,’ dichtte Rilke, dezelfde die het gedicht ‘Der Panther’ schreef. Mijn leraar Duits declameerde het op de meest onverwachte momenten in de les, bij klassenfuiven zong hij steeds dezelfde regels 's avonds aan de bar: ‘Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe / und hinter tausend Stäben keine Welt.’
‘Rainer Maria Rilke!’ riep hij er steevast achteraan.
Precies aan te geven is het nooit, maar ik stel mij zo voor dat Rilke, moe van het schrijven, november 1902 zijn huis verlaat in de Parijse rue de l’Abbé de l’Epée, zijn hoofd alleen nog maar bij de studie over het werk van Auguste Rodin die hij die maand aan het voltooien is. Een week eerder schreef hij aan de beeldhouwer: ‘Mijn dierbare Meester. Vanaf mijn aankomst hier in Parijs bestond er voor mij niets anders dan uw werk: het is de stad waarin ik leef, het is de stem die ik hoor en de stilte die mij omringt, de hemel van mijn nachten van arbeid.’
Rilke steekt de rue Gay-Lussac over om via de kronkelige straatjes van het vijfde arrondissement de rue Geoffroy te betreden, dezelfde straat die in 1826 zwart van het volk stond toen letterlijk de grootste ster van de Jardin des Plantes zijn laatste schreden in vrijheid zette: een kolossale giraffe die de weg naar zijn definitieve verblijfplaats te voet vanuit Marseille had afgelegd. Dat was nog eens spektakel toen het dier tussen volières met roofvogels, langs het halfronde fazantenpark eerst de pistacheboom half ontbladerde en vervolgens een bijna 125-jarige Kretense esdoorn te lijf wilde gaan. Alleen de rijzige ceder, jaargang 1734, vastgeworteld in een glooiing van de romantische heuvel, leek veiliggesteld voor het alsmaar schichtiger wordende dier dat stap voor stap de weg vervolgde die zijn bewakers voor hem hadden uitgezet: eerst langs de botanische school, dan de alpentuin door, langs studiezalen en galerieën met hun glazen potten, volgepropte vitrines, organen op sterk water, hun stoffige zalen met stenen en mineralen, giftige insecten en doodskopvlinders, monsters en fossielen – waaronder de Mosasaurus Maestrichtensis uit de Sint-Pietersberg.
Even voorbij de kooien van panters en sabeltijgers, in de luwte van enkele scheefgegroeide platanen, kreeg de giraffe onder groot applaus zijn plaats op een van de mooiste plekken van de Ménagerie. Tout Paris was erbij – en rouwde toen wat jaren later de Afrikaanse reus niet langer meer de weg aangaf voor wie verdwaald was tussen de taxushagen van het labyrint.


Uit: Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999.




14-12-2018

Het dierenbestaan (1)


Over de panter van Rilke en de hond van Hanlo (1)

In de dagen dat kunsthistoricus Prof. Dr. J. J. M. Timmers de laatste hand legde aan het naderhand klassiek geworden Symboliek en Iconographie der Christelijke Kunst – hij nam er ook de panter in op – werd ik, naar mij later is verteld, een paar straten verderop zorgelijk uit de drogisterij van mijn vader gedragen, het trappenhuis door, het kinderledikant in, waar later op de middag de huisarts een lichte hersenschudding vaststelde. Ik was twee; mijn contact met de wereld had ik die zondag, even weg van de rokken van mijn moeder, willen vergroten door ongezien de etalage te betreden en op de grote spiegelruit te slaan. Geen glasscherven, wel een grote ravage: overal om  mij heen waren potten verf van het merk ‘Panter’ in beweging gekomen, vallend, rollend. Op elke pot stond een woest roofdier – als beeld van lenigheid en springkunst  angstaanjagend dichtbij – dat zich met een enorme sprong over mij heen in veiligheid bracht. Ik werd tegen de etalagevloer gedrukt, besprongen, zag in grote angst een rij scherpe tanden voorbijflitsen. Mijn eerste optreden tussen de panters, dieren die Timmers in zijn Iconographie in verband brengt met Christus’ verrijzenis. Ik citeer: ‘De panter ligt, wanneer hij verzadigd is, drie dagen in zijn hol. Daarna staat hij brullend op en verspreidt zulk een liefelijke geur, dat alle dieren er door aangelokt worden, behalve de draak die zich verbergt.’ 
Volgens Dante is die geur niets anders dan pure geilheid. 

Uit: Frans Budé, Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999

Afbeelding boven uit L'Illustration van 7 augustus 1902: Kunstenaars aan het werk in de Parijse Jardin des Plantes.