07-12-16

Muurgedicht


Het moet in of rond 2000 zijn geweest dat mijn gedicht 'Holleweg' op een flatgebouw bij de gelijknamige weg / hoek Gagelboslaan in Bergen op Zoom een plaats kreeg. De website Stenen Strofen, waar ook muurgedichten van collega's zijn te vinden, vermeldt het regelmatig passeren van rouwstoeten op weg naar de even verder buiten de stad gelegen begraafplaats.
Eén klik met de muis op de foto en het gedicht geeft zijn betekenis prijs...


25-11-16

De eerste alinea (47)


"Toen de cassière hem wisselgeld had teruggegeven van zijn vijffrankstuk, liep Georges Duroy het restaurant uit. Omdat hij er wezen mocht, met zijn uiterlijk en houding van voormalig onderofficier, zette hij een hoge borst op, krulde met een militair, routineus gebaar zijn snor en wierp over de verlate etensgasten een snelle, rondgaande blik, zo'n blik van mooie jongen, die zich als een uitgegooid werpnet ontplooit."

Guy de Maupassant, Adonis. Bel-ami. Vertaling uit het Frans: Hans van Cuijlenborgh. Uitgeverij Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2004.

18-11-16

'Rochers de Frênes' op muziek gezet



De sinds jaar en dag in Nederland wonende Belgische componist Jean Lambrechts heeft twee van mijn gedichten in een Franse vertaling van Claude Vaessen op muziek gezet. Bij gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag worden 'Rochers de Frênes' en een ander gedicht van mij ('La jeune fille rousse / Het roodharige meisje') samen met diverse andere koorwerken uitgevoerd door Vrouwen Kleinkoor Orpheus o.l.v. Albert Wissink uit Ede en Vocaal Ensemble Silhouet o.l.v. Hans Heykers uit Roermond. Beide werken zijn, samen met op toon gezette gedichten van Pierre de Ronsard en A. le Guillou, opgenomen in 'Le jardin des poètes'. Het concert vindt plaats op zondag 20 november om 15:00 uur in de Kapel 'Onder de Bogen' te Maastricht.

foto: Rochers de Frênes (B) © WBT-J.P. Remy


      Rochers de Frênes

Nu de kiezel die het dal straks schuurt
de berg afglijdt, uit flanken
van steen zich losmaakt

ons in beweging zet op dit punt

van uitzicht, nu wind en regen
uitpluimen boven de rivier, het water
zich losslaat op de schepen,
kijken wij op de ader neer, deint 
het water van ons weg, breekt

spektakel langs de oevers
in de kieren van de riemen uit.

Wij zijn geluid – onze ogen dicht
roeien wij tussen rotsen
door de nanacht naar de zee.

 frb
       

16-11-16

'Ein Haus in der Erde' verschenen


Tijdens de Frankfurter Buchmesse (oktober 2016) werd door de Berlijnse uitgeverij Edition Rugerup de tweetalige bundel 
Ein Haus in der Erde gepresenteerd in een vertaling van  
Stefan Wieczorek. Het nawoord is van Cees Nooteboom. Omslagbeeld: Bep Scheeren
Aantal pagina's: 160. ISBN: 978-3-942955-56-0 Prijs: € 19,90 
Uit de reeks 'Mijn huis' het gedicht 'De badkamer / Das Badezimmer':

De badkamer

Sta ik hier te sterven tot zelfs de druppels,    
ook de tranen ruim en beeldschoon vallen.    
Te sappelen om niets, geen zware kleren aan,
niet eens pijn. En woon met anderen, 
heb ik vannacht gedroomd. De kamer 

laat ik dicht vandaag, alleen jij, je hand 

op mijn schedel, zolang je wilt heel even 
strelen. En loopt het bad over, acht uur 
‘s ochtends – de damp, de geur, de honing,
zoveel trager dan geweest.

---------------------


Das Badezimmer

Hier also sterben, bis selbst die Tropfen,
die Tränen auch, hübsch und reichlich fallen.
Ich neu geboren, die Weite des Augenblicks
fühlen, die Zeit verdampft. Und wohne mit
anderen, träumte ich diese Nacht. Das Zimmer

bleibt heute geschlossen, nur du, deine Hand

auf meinem Schädel, kurz noch streicheln, solang
du willst. Und läuft das Bad dann über, acht Uhr
morgens der Dampf – der Duft, der Honig,
soviel träger als alles zuvor.


13-11-16

De eerste alinea (46)



"Op een verlaten strand achter het dorp van de inboorlingen stuitte ik op een spoor van verse stappen. Die afbeeldingen voerden mij door rottend loogkruid, zeekokosnoten & bamboe naar hun maker, een blanke man met opgerolde broekspijpen & een bonker met opgestroopte mouwen, getooid met een goedverzorgde baard & een te grote kantoor, die zo aandachtig met een theelepeltje in het asgrijze zand roerde & pluisde dat hij mij pas opmerkte toen ik hem van tien yard afstand begroette. Zo geviel het dat ik Dr. Henry Goose, geneesheer van de Londense adel, leerde kennen. Zijn nationaliteit was geen verrassing. Als er al een arendsnest bestaat dat zo verlaten is, een eiland zo afgelegen dat men kan vertoeven zonder door een Engelsman te worden aangesproken, staat dat op geen enkele kaart die ik ooit onder ogen heb gekregen."

David Mitchell, Wolkenatlas. Vertaling uit het Engels: Aad van der Mijn.
Em. Querido's Uitgeverij, Amsterdam 2005.


03-11-16

In Memoriam (15)



I.M. Peter Nijmeijer (1947-2016)

De pub houdt de luiken gesloten, schapen blaten
vanuit een dichte mist, de afstand maakt hen niet
bereikbaar. Er is geen uitzicht meer, je ziet jezelf niet,
uur na uur wordt jou elke vorm van toegang ontzegd.
Je komt tot een verzwijgen. Wat neem je mee als
herinnering nu ook de hemel is verdwenen, de ruimte
om je heen wegvalt, het glas op tafel jou niet langer
weerspiegelt – het bord op tafel al dagen ongebruikt.

 frb


02-11-16

Over 'uitvaarten' gesproken


‘De cultuur van een volk herkent men aan het omgaan met de dood,’ zei Perikles zo’n 450 jaar vóór onze jaartelling. Vooral sinds de jaren zeventig is er een ‘commercie van het dodenrijk’ ontstaan. Ondernemingen nemen keurig en gladjes, en mèt onze toestemming, de dierbare doden van ons af. De gestorvene wordt van het ene op het andere moment een artikelnummer. De serviceverstrekking is standaard: snel, efficiënt, doordacht en hygiënisch; van hetzelfde laken een pak en altijd die eeuwige koffie na.
De dood is weggedrongen, aan het zicht onttrokken. De afgestorvenen draagt men over, overmand door wanhoop en verdriet, aan de anonimiteit van het uitvaartkantoor. Men betaalt voor het begeleiden van gevoelens, verdringt het onherroepelijke. Anderen maken uit wat het beste voor de dode (lees: voor de achtergeblevenen) is. Rituelen zijn weggevallen, grafretoriek is een hoge zeldzaamheid; men is al blij dat een van de kraaien ‘namens de familie’ een woord van dank zegt. Een begrip als rouwproces is begin jaren tachtig nog niet in het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal opgenomen.

Maar tien jaar later begint er zich langzaam een kentering voor te doen, eerst nog alleen in het westen van het land, maar de overlijdensadvertenties in de regionale kranten laten zien hoe ook elders familie en vrienden de dode meer en meer persoonlijk begeleiden op zijn of haar laatste tocht, een enkele keer zelfs zo goed als geheel buiten de uitvaartonderneming om.’

Uit: Frans Budé, Het perfecte licht, Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999

Toevoeging 2016: Sommige ondernemingen dringen zich via Ster-reclames aan de kijkers op, bang hun plek te verliezen binnen de uitvaartbranch. Dan krijgt men ongevraagd op het t.v.-scherm zoiets als hier op deze video.
Een kwestie van smaak. Zo kan ik nog altijd niet wennen aan de openingswoorden van deze commercial...



24-10-16

De eerste alinea (45)



"In sommige nachten, als de storm uit het westen kwam, steunde het huis als een schip dat op zware zee heen en weer geworpen werd. Gierend beten de rukwinden zich in in de oude muren vast."

Dörte Hansen, Het oude land. Vertaling uit het Duits: Lucienne Pruijs. Uitgeverij HarperCollins [Amsterdam], 2016.

12-10-16

Flower Ben in Gent


Elizabeth Peyton schilderde in 2002 twee versies van 'Flower Ben' die op het eerste gezicht niet veel van elkaar lijken te verschillen. In het Bonnefantenmuseum in Maastricht toonde zij 2009 het portret als olieverf op board, in het S.M.A.K te Gent is tijdens de interessante tentoonstelling These Strangers... Painting and People tot en met 8 juli 2017 ondermeer 'Flower Ben (Two)' als monotype met handschildering aanwezig. Destijds schreef ik bij het werkje (25,4x21 cm) dit gedicht:

Flower Ben

De wereld is groot, klein het trapportaal,
bezaaid met loze stappen, waar je
voor of na afscheid neemt. Nu ben je nog

in de kamer, verzamelt stemmen van buiten,
in het park het sluiten van de hekken.

In welke rol staar je me aan, hoe peilloos
val je samen met wie je bent, zo engelachtig
geduldig, losgeknoopt uit de tijd. Speciaal

voor jou: steile gerbera’s in strakke glazen vaas,
tussen hun stelen de leegheid van helder water.
En niets aan de hand, denk je, alle zekerheid,

alle dromen. En toch: de schrik nog in de benen.

 frb

Eerder verschenen in Frans Budé, Peyton's Facebook, 
een speciale uitgave van het Bonnefantenmuseum 2009.


05-10-16

Verschijnt binnenkort...


Uit de tweetalige bloemlezing Ein Haus in der Erde die deze maand bij de Berlijnse uitgeverij Edition Rugerup verschijnt in een vertaling van Stefan Wieczorek en met een nawoord van Cees Nooteboom. 160 pag., € 19,90. Omslag: Bep Scheeren.

Panamarenko am 5. Februar 1940
bei seiner Geburt, Biekorfstraat 2, Antwerpen

Ohne seidenen Fallschirm eingeschwebt,
ohne fliegenden Rucksack hinaus ins Freie.
Du streckst meine kleinen Arme weit,
als ob ich Flügel bekäme, es wird Maß
genommen, mit Seifen poliert.
Herumtollen will ich unter Wasser,
strampeln in der Luft, steigen, landen,
auf silbernen Akkumulatoren senkrecht an Dir
in die Höhe, mein Düsentriebwerk vorführen.
Ich fliege, Mutti, kontinental
und sogar aerodynamisch. Weiter
Fernblick, wenn du mich hochhebst,
ich spürbar schwebe über
Tüll und Tinnef – achje, ich lebe.

----

Panamarenko op 5 februari 1940
bij zijn geboorte, Biekorfstraat 2, Antwerpen

Zonder zijden parachute ingedaald,
zonder vliegende rugzak bij u naar buiten.
Mijn armpjes wijd door u gestrekt,
alsof ik gevleugeld word, op schaal
gemeten, gepolijst met uw zepen.
Mij wentelen wil ik onder water,
peddelen in de lucht, stijgen, landen,
op zilveren batterijen loodrecht bij u
omhoog, u mijn straalkracht tonen.
Ik vlieg, moeke, continentaal
en ook nog aerodynamisch. Weidse
vergezichten als gij me optilt,
ik voelbaar zweef boven propere
doekskes, dozekes – amai, ik leef.

21-09-16

De eerste alinea (44)


"Voor de kop van de koe hangt de zoon een zwart leren masker en bindt het vast aan de hoorns. Het leer is in het gebruik zwart geworden. De koe ziet niets meer. Voor het eerst is er een plotseling nachtelijk duister aangebracht voor haar ogen. Het zal over minder dan een minuut, als de koe dood is, weer worden weggehaald. Het leren masker verschaft, over de afstand van de tien passen tussen ruststal en slachthuis, in één jaar vierentwintig uur nachtelijke duisternis."

John Berger, Het varken aarde. Vertaling uit het Engels: Sjaak Commandeur. Uitgeverij Schokland, vierde druk 2016.


17-09-16

Diashow van beelden en citaten



Johan Laserna is de Zweedse vormgever van mijn tweetalige poëziebundel Ein Haus in der Erde die binnenkort in een vertaling van Stefan Wieczorek bij de Berlijnse uitgever Edition Rugerup verschijnt.
Laserna's website is een interessante 'diashow' met na elke 7 seconden prachtige afbeeldingen en interessante citaten.

12-09-16

"Oceaan van aarde"


Oceaan van aarde

                                                   Voor G. de Chirico

Ik heb een huis midden in de oceaan gebouwd
Zijn vensters zijn de stromen die uit mijn ogen vloeien
Overal waar vestingmuren staan krioelen inktvissen
Hoor hun drievoudig hart slaan en hun snuit kloppen tegen de ruiten
                      Vochtig huis 
                      Vurig huis
                      Vluchtig seizoen
                 Seizoen dat zingt
                 De vliegtuigen leggen eieren
Let op men gaat het anker uitwerpen
Pas op voor de inkt die men gooit
Wat zou het mooi zijn als jullie uit de hemel kwamen
De hemelkamperfoelie klimt
De aardinktvissen trillen
We zijn trouwens al lang op weg onze eigen grafdelver te zijn
Bleke inktvissen uit de krijtgolven o inktvissen met jullie bleke snuit
Rondom het huis is er de oceaan die je kent
En die zich nooit neerlegt


Vertaling: frb

Uit: Het perfecte licht, Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999



03-09-16

De eerste alinea (43)


"Het is zomer aan zee, de kleurige strandcabines glimmen in de zon. Stefan Zweig zit driehoog in de loggia van Maison Floréal, een grijswitte villa op de brede zeedijk van Oostende. Hij staart naar de zee. Daar heeft hij altijd van gedroomd, van dit enorme uitzicht op de zomer, op de leegte, schrijvend en kijkend in de verte. Een verdieping hoger woont zijn secretaresse Lotte Altmann, die al twee jaar zijn geliefde is, ze zal zo meteen met de schrijfmachine naar beneden komen, hij zal haar zijn nieuwste boek dicteren, en telkens weer terugkeren naar die ene passage waar hij blijft steken, waar hij vast zit. Zo gaat het nu al een paar weken lang."

Volker WeidermannZomer van de vriendschap. Oostende, 1936. Vertaling uit het Duits: Els Snick. Uitgeverij Cossee, Amsterdam 2015.


24-08-16

'Verraderlijke tooi'


"In de imaginaire wereld die Bep Scheeren schept vervloeien alle eerder door ons getrokken grenzen. Beelden uit het alledaagse leven vermengt ze ingenieus met herinnering en droom. Ze rangschikt en combineert net zo lang totdat er nieuwe associaties ontstaan. Alleen zo kan in haar verbeelding een vrouwenhoofd rijzen uit een wankel staande vaas om vol tederheid een paardenhoofd te kussen; en een aantrekkelijke leeuwin met elegante damesschoen triomfantelijk poseren tegen de achtergrond van een on-Afrikaans aandoend landschap.

Vervreemding is het sleutelwoord voor haar werk. Beklemming, ontheemding, daar gaat het haar om. Het gevoel dat de opgevoerde personages op de een of andere manier niet met de wereld of met zichzelf samenvallen. Er is een verstoring van de realiteit geschapen, een aangename hapering die deze kunstenaar niet geheel zonder ironie uitvergroot. Ogenschijnlijk kleine verschuivingen in de perceptie kunnen tot bizarre taferelen uitgroeien. Ontreddering wordt naast schoonheid geplaatst, emotie naast koele waarneming. Met grote verbeeldingskracht wordt de naakte werkelijkheid aangekleed.
Marguerite Yourcenar komt in haar korte roman ‘Alexis’ (Amsterdam, 2007) dicht in de buurt bij wat ik denk waar te nemen in het werk van Bep Scheeren. Ze schrijft: ‘We merken dat ons lichaam een eigen leven leidt, met eigen dromen en een eigen wil, dat we er tot onze dood rekening mee moeten houden, dat we moeten toegeven, een schikking treffen of strijden.’ Om wat verderop nuchter vast te stellen: ‘Soms sterft de ziel voor het lichaam."

 frb

Uit: Bep Scheeren. Van de haat en de liefde 2000–2010 / Vom Hass und von der Liebe 2000–2010. Museum van Bommel van Dam, Venlo 2010.

Afbeelding: Verraderlijke tooi (2005), acryl op linnen, 80x60 cm

19-08-16

De eerste alinea (42)



"Toen ik Brenda voor het eerst ontmoette, vroeg ze af ik haar bril wilde vasthouden. Daarna stapte ze naar het uiterste puntje van de duikplank en tuurde ze kippig het zwembad in. Als het leeg was geweest, zou Brenda – bijziend als ze was – het nóg niet hebben gemerkt. Ze maakte een prachtige duik en even later zwom ze terug, haar hoofd met het korte kastanjebruine haar recht vooruit, als een roos op een lange steel. Ze liet zich uitdrijven naar de kant en kwam toen naast me staan. 'Dank je,' zei ze. Haar blik was waterig, maar niet door het water. Ze stak een hand uit naar haar bril, maar zette hem niet op voor ze zich omdraaide en wegliep. Ik keek haar na. Plotseling zag ik dat ze haar handen achter haar rug bracht. Ze trok met duim en wijsvinger de onderkant van haar badpak omlaag en bedekte weer het ontblote stukje vlees. Mijn hart klopte in mijn keel."


Philip Roth,Vaarwel Columbus. Vertaling uit het Engels: Nico Polak en Fie Zegerius. Uitgeverij De Bezige Bij, vierde herziende druk, Amsterdam 2009.

13-08-16

De eerste alinea (41)



"Noem me Autolycus. Nou, doe dat toch maar niet. Al ben ik, net als die pathetische clown, iemand die veronachtzaamde kleinigheden opraapt. Wat een mooie manier is om te zeggen dat ik dingen steel. Altijd gedaan, zolang ik me kan herinneren. Ik mag wel zeggen dat ik een wonderkind was in de edele kunst van het jatten. Dat is mijn beschamende geheim, een van mijn beschamende geheimen, warvoor ik me echter niet zo schaam als wel zou moeten. Ik steel niet met het doel winst te behalen. De objecten, de kunstvoorwerpen die ik wegneem – dat is een aardig woord, nuffig, schattig – zijn over het algemeen nauwelijks van enige waarde. Hun eigenaren missen die spullen meestal niet eens. Hier raak ik door van streek, ik krijg er de bibbers van. Ik zal niet beweren dat ik betrapt wil worden, maar ik wil dat het verlies wordt opgemerkt; het is belangrijk dat dit gebeurt. Belangrijk voor mij, bedoel ik, en voor het gewicht en de geldigheid van – hoe zal ik het zeggen? De prestatie. De inspanning. De daad. Ik vraag je: wat heeft het voor zin iets te stelen van iemand als niemand weet dat het gestolen is behalve de dief?"

John Banville, De blauwe gitaar. Vertaling uit het Engels: Arie Storm. Uitgeverij Querido, Amsterdam / Antwerpen, 2015.

08-08-16

Thuiskomen (2)


Wilt u meer weten over Thuiskomen, de tentoonstelling die momenteel loopt in het Museum aan het Vrijthof? Klik dan hier.
En over de speciale boekuitgaven? Dan moet u dít even bekijken.


04-08-16

De eerste alinea (40)




‘Eens – nu jaren geleden – moest ik bijna negen weken in het ziekenhuis blijven. Het was in New York en ’s nachts had ik vanuit mijn bed een ongehinderd uitzicht op het Chryslergebouw met zijn geometrisch schitterende lichtjes. Overdag verbleekte de schoonheid van het bouwwerk en geleidelijk werd het simpelweg een van de grote vele blokken tegen de blauwe lucht en leken alle gebouwen van de stad teruggetrokken, stil, veraf. Het was mei, en toen juni, en ik weet nog dat ik vaak voor het raam naar de straat beneden stond te kijken, naar de jonge vrouwen – van mijn leeftijd – in hun voorjaarskleren, buiten met lunchpauze; ik zag de hoofden in gesprek bewegen, de blouses rimpelen in de zachte wind. Ik dacht dat ik, als ik eenmaal uit het ziekenhuis was, nooit meer over straat zou lopen zonder dankbaar te zijn dat ik een van die mensen was, en dat was ik ook jarenlang – dan herinnerde ik me het uitzicht uit het ziekenhuisraam en was ik blij dat ik op straat liep.’
Ik heet Lucy Barton. Vertaling uit het Engels: Barbara de Lange. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam / Antwerpen 2016.


28-07-16

Apollinaire in Stavelot (B)


Amadeo Modigliani tekende hem uit, de kunstenaars Jean Metzinger, Max Jacob, Marcel Duchamp, zijn vriendin Marie Laurencin, en Maurice de Vlaminck. Giorgio de Chirico beeldde hem op een schilderij als de ‘blinde ziener’ af. Picasso zette hem wel twintig keer op papier, soms in een vluchtige schets, karikaturaal, andere keren gedetailleerd, maar altijd trefzeker in gestalte en karakter: Guillaume Apollinaire (1880-1918), dichter, schrijver, kunstcriticus; een enkele keer door zijn vriend met het lichaam van een atleet afgebeeld – hij ging prat op zijn struise verschijning, de onafscheidelijke pijp, snorretje, peervormig hoofd, borstelhaar. En vanaf het oorlogsjaar 1914 als frontsoldaat met getrokken zwaard en kanon. Twee jaar later, na het verwijderen van een granaatsplinter, wordt hij afgebeeld met het hoofd in een verband, smartelijk, maar met het opgespelde oorlogskruis tegelijk ook kinderlijk trots.
Wie was dit rokend heerschap dat volgens de tekeningen – de meeste verschenen als losse krabbel op notitieblaadjes of restaurantnota’s – zich zo graag verpoosde aan de borreltafel in de leeshoek?
Als Wilhelm Albertus Vladimir Apollinaris de Kostrowitzky (zijn echte naam), reserveert zijn moeder in juli 1899 voor hem en zijn jongere broer Albert een kamer in Pension Constant in het Ardense plaatsje Stavelot. Zelf neemt ze haar intrek in Spa, op een steenworp afstand van het casino, waar ze met een vriend heel wat tijd doorbrengt. 
(...)
In Stavelot dient zich met de eerste verliefdheid van de jonge Wilhelm tegelijk het ontluikende dichterschap aan. De achttienjarige Maria Dubois verschijnt in zijn leven, haar ouders baten naast de kerk, op nummer 12 café ‘Les Brasseurs’ uit. Ook bij de ‘Cercle la Fougère’, de plaatselijke toneelclub, die een zaaltje huurt in Pension Constant, is ze regelmatig te zien. Voor haar schrijft hij zijn eerste gedichten. Het wordt een korte liaison, die in Apollinaires poëzie aanwezig blijft, zoals in het gedicht ‘Mareye’, Waals voor Maria (‘Mareye était très douce étourdie et charmante / Mois je l’aimais d’Amour m’aimait-elle, qui sait?’) dat men later in zijn nalatenschap zal aantreffen. De toon van de ‘mal-aimé’, de onbeminde, die door Apollinaires gedichten loopt, is daarmee in Stavelot gezet. In de bundel ‘Le guetteur mélancolique’ (de weemoedige wachter) heeft hij de reeks ‘Stavelot’ uit 1899 opgenomen waarin Maria Dubois als ‘Mareï’ voorkomt. In de bundels ‘Alcools’ (1913) en ‘Calligrammes’ (1918) waarmee Guillaume Apollinaire
naam maakt, wordt op verschillende plaatsen niet altijd even expliciet naar de Belgische Ardennen verwezen, maar is de streek desondanks sterk aanwezig in de sfeer van het landschap.
(...)

 frb

(Fragmenten uit: ‘Voor het oog van de mens. Over de betekenis van Guillaume Apollinaire’. Opgenomen in Het perfecte licht. Uitgeverij Scorpio, Eckelrade 1999).


Vertaling opschrift foto, aangetroffen op het raam van een restaurant in Stavelot: ‘Hoog tijd de sterren opnieuw aan te steken’.