14-08-18

De eerste alinea (69)


"Vele, vele jaren geleden, toen ik klein was, woonde er in Ferrara een joodse juffrouw die lelijk noch arm noch dom noch oud was, niet bijzonder aantrekkelijk zou je kunnen zeggen maar ook niet te versmaden, voor wie de ouders nog geen man hadden kunnen vinden, hoe vreemd dat ook mag lijken. Vreemd? Ja, vreemd. Binnen onze gemeenschap was dat destijds in alle opzichten een uitzondering. Meestal maakte men gebruik van de netwerken van verwanten, maar ook de bijeenkomsten van de vrouwenvereniging konden in dit verband heel nuttig zijn, of de dansfeesten die met Poerim werden gehouden in een paar zaaltjes van het godshuis in de via Mazzini of in de hal van de joodse bewaarschool in de via Vignatagliata, feesten waarbij fluisterende, in dichte rijen langs de wanden gezeten matrones als decor fungeerden, of anders wel de brieven die men in de moeilijkste gevallen rabbijn doctor Castelfranco verzocht te schrijven aan zijn collega's in de naburige steden in Emilia, Romagna en de Veneto: hoe dan ook, op een goed moment kwam de ware Jakob toch altijd voor de dag. Niemand hoefde te wanhopen. Had de markt geen bruidegom opgeleverd, dan kwam Lohengrin van verre aanzeilen: om te zien, zich te laten zien, en vrijwel altijd overeenstemming te bereiken."

Giorgio Bassani, De geur van hooi. Uit het Italiaans vertaald door Tineke van Dijk. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2018



10-08-18

De laatste vlucht van de duif



De vlucht van de duif

Een najaarsdag komt langs, jaagt woest
door het gebladerte, snel weer nacht.

Dat bomen hun toppen behoedzaam strekken
tegen de lucht, zo zuiver het streven, gloed

van eerder licht. Totdat het andermaal begint 
te waaien, boven de strakke hagen het licht

een tijdstip wordt, alles te verwachten. 
Doodsschrik weerspiegeld in het raam –

een duif aanstortend op de glazen wand,
vonken spatten van zijn borst, lichaamstaal.

Achter een masker stijgt hij boven zichzelf uit,
stervend, in ieders hoofd spant hij vleugels, 

striemt de horizon, verstrooit de tuin.
De tijd een duif, de duif een tekening. 


frb

Foto: Afdruk van een duif na botsing tegen een raam
op 29 juli 2009 in Palo Alto, Californië




07-08-18

De eerste alinea (68)


"De eerst keer dat ik een computer zag was in 1980, op mijn vierde op vijfde, maar de herinnering is niet glashelder, waarschijnlijk verwar ik haar met latere bezoekjes aan het werk van mijn vader in de Calle Agustinas. Ik zie mijn vader nog voor me met die eeuwige sigaret in zijn rechterhand en zijn zwarte ogen die recht in de mijne keken terwijl hij me de werking van die enorme machines uitlegde. Hij had gehoopt op mijn verwonderde blik en ik deed ook alsof ik geïnteresseerd was, maar zodra het kon, ging ik spelen aan het bureau van Loreto, een secretaresse met lang haar en dunne lippen die zich nooit mijn naam herinnerde."

Alejandro Zambra, Mijn documenten. Vertaling uit het Spaans: Luc de Rooy. Uitgeverij Karaat, Amsterdam 2018



02-08-18

Aldus de schrijver (9)



"Maandagavond 11 uur.*)
Gelouterd door de Dostojewskiaanse scène van vannacht keken wij samen naar de tv, James keurig in de houding staande achter mijn De Sade-bank, de zilveren schaal met de Chartreuse strak in de hand. Zelfs het bericht in het programma Doe Mee waarbij ons door een huisdokter verteld werd dat door onmatig alcoholgebruik een cyste in de lever kan ontstaan ter grootte van een voetbal en dan nog gevuld met wormen, vermocht onze sereniteit niet te storen. Ook de melding niet dat bij geelzucht de stoelgang kleurloos wordt. Wij hebben de oefeningen meegedaan. Naast elkaar, indianenkreten slakend, schoven wij met gestrekte benen op ons zitvlak door de kamer tot aan de veranda en terug.
Daarna zagen wij de heer Martens, onze nieuwe leider. Hij leerde ons o.a. dat veel landgenoten zich ernstig zorgen maken, dat er moeilijke tijden voor de deur staan, en dat het gezin de kern van de samenleving moet vormen.
Een verdienstelijk optreden. Hij was mooi amber geschminkt, maar verder van een kleurloosheid die aan die van Boudewijn de Eerste doet denken, en zo hoort het ook, want tenslotte is hij thans de emanatie van ons volk."

Uit: Hugo ClausHet verdriet staat niet alleen. Een leven in verhalen. Verzameld door Mark Schaevers. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2018.

*) Eerder gepubliceerd in de reeks 'Uit mijn dagboek' in De Morgen van 27 april 1979.


30-07-18

Aldus de schrijver (8)


"Behalve van de sterren, van de viervoetige mens in de grot die aarzelend zijn weg zocht naar het licht, van de Menapiërs, de Gildeman, de huursoldaat stam ik af van een zekere X. Claus. Volgens mijn vader (hij houdt van Franz Lehar, Volkswagens, Dortmunderbier) van een zekere X. Klauss uit Duitsland. Ik wil wel, maar dat het dan zoveel mogelijk in het verleden zij (ik houd meer van Gezelle dan van Stefan George). In de nacht, in het grillig duister bos van elementen die zich kruisen, bespringen, bedrijven, is X. de eerste die kan ageren op de volgers, de padvinders, de late beklimmers van het spoor terug. Die X. Claus heeft geen gezicht, geen handeling, geen staat. Ik zie hem als een boer met knevel en grijze ogen, een zachte maniak, die rond zijn vijftigste uit bewondering voor  Bonaparte de K. van zijn naam in een C. veranderde. In ieder geval, hij had een zoon die vlaszwingelaar was. Deze had met zijn wettige echtgenote Rosalie De Boever uit Dentergem een zoon die notarisklerk werd, een geleerde dus, een wijze zonder eelt op de handen, die eerder naar dossiers rook dan naar het vaderlijk vlas."

Uit: Hugo ClausHet verdriet staat niet alleen. Een leven in verhalen. Verzameld door Mark Schaevers. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2018.


25-07-18

Aldus de schrijver (7)


"Mijn eerste toneelstuk schreef ik nadat ik drie romans, vier gedichtenbundels en tientallen verhalen gepleegd had. Totdantoe boeide toneel mij helemaal niet en waar ik in mijn kindertijd hongerig elke donderdag naar Tom Mix, Dick Powell en Pierre Blanchard zat te staren en rond mijn zestiende jaar maandenlang drie films per dag zag, heb ik aan toneel in mijn jeugd niet de minste herinnering (behalve aan de voorstellingen van de buurtvereniging waarin mijn vader optrad. In De lustige boer stond hij tijdens de kermisscène onbeweeglijk voor een tent als worstelaar in een roze maillot. In Bij de heernonkel speelde hij de rol van de pastoor en liet onder de pruik en het lijkwitte, doorgroefde gezicht een ongeschminkte, bloedrode nek zien.)
Toen ik twintig was zag ik Huis Clos omdat Sartre het geschreven had, L'Ecole des Femmes van Jouvet omdat ik verliefd was op Dominique Blanchar, en De dood van een handelsreiziger omdat mijn moeder er heen wilde. Het stuk van Miller verveelde mij nogal, maar toen ik dit aan mijn moeder zei na afloop, werd zij hoogrood en krijste woedend, vlak voor de schouwburg: 'Probeer het zelf maar eens, stuk pretentie, dan zullen wij lachen, haha!' "

Uit: Hugo Claus, Het verdriet staat niet alleen. Een leven in verhalen. Verzameld door Mark Schaevers. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2018.


17-07-18

Pas verschenen



Afgelopen maand verscheen bij uitgeverij Jekerstroom een zeer bijzonder vormgegeven bibliofiele uitgave. Het betreft zes niet eerder verschenen gedichten in een zeer beperkte oplage onder de titel 'Sleutel'.
Roel Idema ontdekte een blik met oude sleutels dat na een huisontruiming in een container was gedumpt. Het bracht hem op het idee om telkens één sleutel in een door hem gemaakt 'sleutelkistje' onder te brengen, vergezeld van zes gedichten van ondergetekende. Het resultaat van het maakproces is uiterst uniek te noemen. De gedichten, zo zou men kunnen stellen, proberen het raadsel van de dingen en het leven te ontsluiten.

Bent u geïnteresseerd in een eventuele aanschaf van 'Sleutel', stuur dan een e-mail naar jekerstroom [at] xs4all.nl en meer informatie wordt u toegestuurd.

 frb


15-07-18

Aldus de schrijver (6)


"Ik heb bij lezen uit eigen werk ervaren dat ik tien keer zoveel contact krijg met mijn publiek als ik alle toelichting achterwege laat. Dichters, vooral beginnende dichters, hebben nogal eens de neiging om van alles en nog wat over het gedicht te vertellen. 'Dit gedicht behaalde de top honderd van de Turingprijs'. 'Dit gedicht is eigenlijk nog niet af.' 'Dit gedicht is geïnspireerd op de dood van een vriendin, die...'
Het is uit onzekerheid, dat snap ik wel. Het is bedoeld om de 'moeilijke' tekst behapbaar te maken, ofwel het even luchtig te maken, of persoonlijker. Een soort service aan het publiek.
Maar het is altijd een slecht idee. De toehoorders worden gedwongen steeds van registratiemodus te switchen, wat het luisteren vermoeiend maakt en de concentratie verstoort. De dichter geeft bovendien het signaal dat de tekst niet op eigen benen kan staan, en dit vertoon van onzekerheid wordt graag opgepikt door mensen in de zaal. Al te graag! Intussen wordt de ruimte van het gedicht, die mooie ruimte van het geslaagde gedicht, alleen maar vervuild en vervormd door het debris van explicatie.
Niet doen, dichters! Laat de tekst het werk doen!"


Tonnus Oosterhoff, Een kreet is de ramp niet. Essays. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2018



12-07-18

Aldus de schrijver (5)


"Mijn blik op de wereld verandert of ik verbeeld me dat hij verandert. Het komt me voor dat ik de dingen vroeger als meer uniek ervoer, mijzelf en mijn medemensen als zeldzame exemplaren, gebeurtenissen als eenmalig. Nu begint alles te klonteren, de verschijnselen trekken samen in structuren, die ik overigens niet goed kan benoemen of duiden. Zo wordt het ondermaanse tegelijk overzichtelijker en onbegrijpelijker en het voelt als afscheid. Ik lijk op een houtworm die na een verkeerde beweging ruggelings uit het dak van de Oude Kerk in Amsterdam valt: in het vallen ontvouwen de kruisribben zich aan hem tot een lang omgekeerd schip, terwijl hij daarvoor niet wist dat er meer bestond dan het stuk plank waarin hij en zijn voorvaderen zwoegden voor hun dagelijkse  brood."

Tonnus Oosterhoff, Een kreet is de ramp niet. Essays. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2018


09-07-18

Aldus de schrijver (4)


"Hoe ik als persoon verwacht aan mijn einde te komen is één ding, maar als schrijver, dat is een ander chapiter. Een schrijver sterft vele doden, het is maar hoe je doodgaan definieert. De definitiefste, de dood die zeker zal komen, maar die ik niet in den vleze zal meemaken, vindt plaats op de dag dat mijn laatste tekst van de laatste plank uit de laatste bibliotheek gaat. Het is ook mogelijk, maar dan geraken we op het groezelige pad van de semiotiek, om te stellen dat de auteur overlijdt in elke interpretatie van zijn lezer, steeds opnieuw. Of, sociologisch, bitter, dat de schrijver die nooit bij De Wereld Draait Door mag aanzitten feitelijk dood is."

Tonnus Oosterhoff, Een kreet is de ramp niet. Essays. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2018.


07-07-18

De eerste alinea (67)


"U bent komen lopen? Bij mij? U kunt toch zo in elke winkel bonen krijgen. Maar komt u vooral binnen. U bent toch niet bang voor honden? Wees u maar niet bang voor ze. Ze hoeven alleen maar even aan u te ruiken. Als iemand voor het eerst komt, moeten ze gewoon even aan hem ruiken. Dat zou ik niet weten. Dat hebben ze niet van mij. Dat doen ze uit zichzelf. Een hond is even ondoorgrondelijk als een mens. Hebt u een hond? Zou u moeten doen. Van een hond kun je veel leren. Zitten, Reks, zitten, Łaps. Zo is het genoeg."


Wiesław Myśliwski, Over het doppen van bonen. Vertaling uit het Pools: Karol Lesman. Uitgeverij Rainbow B.V., Amsterdam 2016. Eerder uitgegeven door Uitgeverij Querido, Amsterdam 2009.
Informatie over de auteur: zie 'De eerste alinea (66)'. 


03-07-18

I.M. Armando (1929-2018)




I.M. Armando (1929-2018)

De botheid van de dood als hij aantreedt, hoewel
het raam deze warme zomer gesloten, de deur vergrendeld.

Hoorbaar schuifelt hij om je woning heen, grillig schaduw
werpend over de tuin. Je weert hem af, als geen ander 

kent hij je kracht. Iemand speelt ergens geluidloos viool,
een ander schildert een boom die zich uitrekt
in verzonken groen. Ben ik dat wel? vraag je je af,
je hoort korte zinnen ooit door jou op papier gezet. 

Vervreemd staar je je geliefde aan. Je altijd bezige hart 
raakt verward. De boom verliest zijn blad,


woorden breken af.


 frb




02-07-18

Aldus de schrijver (3)



“Het onvermogen om te leven in een artistiek vijandige wereld speelt zo nu en dan op wanneer die vijandigheid zich openlijk en agressief manifesteert, en er geen mogelijkheid is om die te pareren. De ervaring leert dat persorganen niet zelden weigeren hoor en wederhoor toe te passen nadat een kunstenaar of schrijver publiekelijk op dubieuze gronden is geschoffeerd. Totale onverschilligheid kan ook teleurstellend zijn, maar slaat geen wonden. Hoe ga je om met een verbale agressie waartegen geen verweer bestaat? Een agressie die het van leugens en laaghartigheid moet hebben. Hoe schakel je zulke onproductieve krachten uit? Hoe houd je, in uitgebreidere zin, een serene werkzaamheid in stand zonder compromis of wapengekletter, ontmoedigende zelfvernedering of corrumperende impulsen toe te laten? Zwijgen zonder te verdringen helpt. Dat kost alleen tijd. Maar wie kan wachten, hoeft geen concessies te doen, las ik onlangs. Een gedachte die waarheid bevat en troost biedt aan allen die nog een leven voor zich hebben.”

H.C. ten Berge, Een spreeuw voor Harriët. Essays. Dagboekbladen. Veldnotities. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen 2018.
Bovengenoemd citaat stamt uit het onderdeel ‘Dagboekbladen’ en gaat terug op een aantekening uit het onderdeel ‘Onrustige dagen (1985-1987)'.

29-06-18

Aldus de schrijver (2)


“Poëzie is een belijdenis van leegte, proza een uitbarsting van ideeën en woorden die vaardig gestuurd en in toom moeten worden gehouden. Daarom hard aan de roman gewerkt: twee bladzijden geschreven en die driemaal overgetikt om ze vervolgens nogmaals te herzien. Het resulteert in een gevoel alsof ik een akker heb geploegd. Alsof er een akker ís geploegd.
Ook zijn er weer dagen waarop zich een koortsige schrijfdrift in mij manifesteert. Daaraan valt gemakkelijk tegemoet te komen naarmate een passage al eerder op gang is geholpen. Het zwaan-kleef-aan-beginsel treedt dan in werking, waarna alles soepel verloopt.”
 


H.C. ten Berge, Een spreeuw voor Harriët. Essays. Dagboekbladen. Veldnotities. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen 2018.
Bovengenoemd citaat stamt uit het onderdeel ‘Dagboekbladen’ en gaat terug op een aantekening uit 1984.



25-06-18

Aldus de schrijver (1)


“De voortgang of blokkering van het werk is voor de kunstenaar, de componist en de schrijver van levensbelang. Daar kijkt niemand van op. Ook niet van de notie dat de creatieve mens voor zijn evenwicht en zelfvertrouwen in hoge mate van dat werk afhankelijk is. Men voelt zich geestelijk sterker als het nieuwe, nog onbekende werk merkbaar groeit en zienderogen vorm aanneemt. Niet het onbekende slaat hem uit het evenwicht, maar het gebrek aan kracht (dan wel ontbrekend zelfvertrouwen) om in dat onbekende door te dringen. Persoonlijk zou ik zeggen: daarom kan ik me ook nooit te ver verwijderen van datgene wat op exploratie en verwezenlijking ligt te wachten. Het is een psychische gesteldheid die mij herinnert aan een brief van Simeon ten Holt (componist; frb), waarin hij zich een jaar geleden uitsprak over de noodzakelijke discipline en het beschikbaar zijn, ten allen tijde, voor het creatieve werk. In dat opzicht zijn wij zeker aan elkaar verwant.”

H.C. ten Berge, Een spreeuw voor Harriët. Essays. Dagboekbladen. Veldnotities. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen 2018.
Bovengenoemd citaat stamt uit het onderdeel ‘Dagboekbladen’ en gaat terug op een aantekening uit 1984.


20-06-18

De eerste alinea (66)



"Dat kleine, schriele mensje op de foto, met die opengesperde ogen, in een als het ware te grote gabardine jas en platgedrukt door een als het ware te grote hoed – dat is mijn vader. Naast hem, gehuld in een donkerblauw matrozenpakje met korte broek, met een wit matrozenpetje op het hoofd, op sandalen en in kniekousen – dat ben ik. Mijn moeder is er niet bij. Dus is het vast zondag. Anders had ik trouwens ook dat matrozenpakje niet aangehad."

Wiesław Myśliwski, De horizon. Em. Querido's Uitgeverij BV, Amsterdam–Antwerpen 2017


14-06-18

Roos en Blad




Mijn blaadjes op de witmarmeren vloer van Cleopatra’s slaapkamer,
in de feilloze spiegel van Maria Callas. Naast mij wordt gefluisterd,
groeien langzaam idylles, wordt in droefheid afscheid genomen.
O aanzicht van liefde en dood, mijn plicht zegt mij aanwezig te zijn.
Maar wie verjaagt het waas van meeldauw, het vilein patijn dat me bij
mijn groei bedreigde? Breek het stijve theater van de dood bij me weg,

snoei me, streel mijn knoppen, sta me bij. Groeien wil ik, vertederd
bij je blijven. Het troosteloze om ons heen zal vluchten – opgaan zal ik
in schoonheid achter heuvels waar de zon afdaalt, beminnelijk toeziet.


Kim Zwarts, Roos en Blad. Uit: Frans Budé, Roos en Blad, pale pink publishers, Maastricht 2014. Twee reeksen gedichten van elk acht foto's en twaalf gedichten in een cassette. Oplage twaalf exemplaren, genummerd en gesigneerd.



08-06-18

I.M. Gregor Laschen (1941-2018)

 


Traag de rivier, voorbij de inham bolt 
het voorzeil, spant en smoest de wind,
flirten wolken boven het laatste oevergras.  
Er komt iets koppigs, in woorden niet te vatten –

water rolt, wielt onder de boot, wat ooglengtes
verder springt een ongekende wind op de plecht, 
schuurt heel even. Hij brengt de dood mee, 

rijgt zich vast. Zo blijf jij in eenzaamheid achter,
dalend, stijgend – dan steek je over, 
het water blijft overeind, flonkerend tegen.



               frb


            
Gregor Laschen overleed 2 juni j.l.



07-06-18

Dorpsoudste



We kijken elkaar recht in de ogen, u en ik,
al schudt zo nu en dan de aarde, draait het tijdrad
eindeloos stroef. Ik weet dat ook de maan wel eens
struikelt op de weg die hij bewandelt. Mijn plek is hier

waar ik mijn naam hoor roepen en mijn stok opneem,
uit kommen het eten haal dat men voor mij bewaart.
Ik onthoud het knisperende licht dat door de struiken
sluipt, afglijdt van de groene blaadjes achter mij. Ik kijk

nog even om, neem afscheid van mijn koele zitplaats.
Was ik het die daar zo-even zat, verwijlend in gedachten?



Chrit Rousseau, Dorpsoudste, inkttekening, 27 x 25 cm. Uit: Chrit Rousseau en Frans Budé, Thuiskomen. Een inspiratie over en weer. Een Rousseau-productie, Maastricht 2017.



31-05-18

Landschap



                                 
Het wellen van kleuren – warm en intens beweegt
het uitzicht voor zijn ogen, voordat astrant de avond 
aantreedt, pas tegen het ochtendgezang weer vertrekt.
Soms wil hij een berg uithoren, elke ruis verlegt zijn blik,

en opnieuw ligt het landschap aan zijn voeten. Hij heeft
zijn eigen kleurenrijkdom, kietelt de zon of wiegt haar
in slaap, terwijl de wind intussen fluistert, bloemen
van gedaante verandert, velden speels doet golven,

geeft hij zich onvoorwaardelijk over aan de nuchterheid 
van het plateau, de grilligheid van heuvelrug en bergkam.
En koestert de herinnering die hen omarmt. O waaier 
van verbeelding en verlangens, waaier van licht en leven.

 frb

Willy Gorissen, Landschap
Aquarel op papier, 1945-1946, 25 x 45 cm. Gedicht uit een serie van zes, geschreven in opdracht van Museum van Bommel van Dam te Venlo.