22-04-18

Gestalt



Gestalt

De dood die op een koele winterdag je hand grijpt.
Rook van een sigaret kringelt, verdwijnt achteloos 
achter een mannenhoofd. Je hoort een zigeunerorkest,
houdt je vast aan de muziek. Verblind door de nacht,
overspoeld door vergetelheid, kom je bij jezelf uit, breed
uitwaaierende gedachtes. Springend naar waar dan ook
laat je de wereld achter je, gevangen ben je in je eigen lijf.
Men zegt dat je een breekbaar masker draagt, de nacht 
een slurpend monster is, zich voortplant in de dood. 
Je gelooft het niet en schreeuwt het uit.


Bij Armando,  Gestalt, 'werk in carborundum', 2014. Eerder verschenen in Frans Budé, Achter het verdwijnpunt, Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2015



17-04-18

Poëzie eerder verschenen



Dal van de Oglio

Dit dal, ademend landschap, lichaam van aarde,
al het kruidige ons toebedeeld dat zich opengeeft,
ruimhartig de kleine rivier doorlaat die zich 
spoedt tussen Lombardische gronden door,

het zoemen dat voelbaar wordt, uitvloeit 
naar alle kanten, deze smalle stroom
die om doorgang vraagt, ademtocht wordt in bochten,
tokkelt en bloost onder wisselende luchten, trommelt
en blaast voordat hij ingaat, voordat hij opgaat –

toetreedt tot de Po.


frb

Eerder verschenen in Transit, Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2012

10-04-18

De eerste alinea (65)


"Ik ben sinds kort vierendertig, de helft van mijn leven. Mijn lengte is middelmatig, of iets aan de kleine kant. Mijn haar is donkerbruin, kort, om het krullen tegen te gaan en vanwege een dreigende kaalheid. Voor zover ik dat zelf kan beoordelen zijn mijn karakteristieken: een kaarsrechte nek, steil als een muur of een rotswand, volgens de astrologen kenmerkend voor hen die in het teken van de Stier geboren zijn; een hoog, nogal bultig voorhoofd, met erg gezwollen en kronkelende aders bij de slapen. Dat hoge voorhoofd houdt naar de astrologen beweren verband met het teken van de Ram. Ik ben inderdaad op 20 april geboren, dus op de grens van die twee tekens: de Ram en de Stier. Mijn ogen zijn bruin, de randen van de oogleden zijn gewoonlijk ontstoken; ik heb een frisse huidskleur en schaam mij voor het feit dat ik gauw bloos en voor mijn glimmende huid. Mijn handen zijn mager, nogal behaard, de aders zijn duidelijk zichtbaar. Mijn twee middenvingers zijn aan het eind wat gebogen, wat wijst op een zekere zwakte, iets ontwijkends in mijn karakter."

Michel Leiris, Arena. Uit het Frans vertaald door Kees Jongenburger. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1981.



03-04-18

Brief van ver (2)


Brief van ver

Reizen we met onze woorden mee,
een brief
over straat
de huizen langs.
Gewogen, van een opdruk voorzien
en toebedeeld
aan wie voor ons op weg gaat,
bruggen oversteekt, pleinen,
soms een zee ertussen.

In dode uren uitgetekend
door de stilte, lopen we
ons leven na, spellen de tijd
die rest. Ik ben
niet hier, schrijf ik,
maar ergens anders
en zie het schuiven
van de schaduw.
Buiten speelt het hemellicht.
Hoe houdt God het uit, wil ik vragen,
een nachtegaal zingt
in vol ornaat.

Neem deze brief van mij, versierd
met rode kransen wijn,
vouw mijn woorden 
op je tafel uit, vergeef het kruim
dat tussen woorden sluipt,

en lees hoe hier de wind
in oude bomen aanzwelt, wegvalt,


alle tijden door.

 frb

Eerder verschenen in Bestendig verblijf. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2009
Voor de Friese vertaling van 'Brief van ver' scrollt u even terug naar het vorige bericht.

02-04-18

Brief van ver (1)


Brief fan fier

Reizigje wy mei ús wurden op
in brief
oer de strjitte,
de huzen bylâns.
Waage, fan in opdruk foarsjoen
en taskikt
oan wa foar ús op in paad giet,
brêgen oerstekt, pleinen,
somtiden in see dertusken.

Yn deade ûren úttekene
troch stiltme, rinne wy
ús libben nei, staverje de tiid
dy't bliuwt. Ik bin net hjir, skriuw ik,
mar earne oars
en besjoch it skowe
fan it skaat.
Bûten boartet it himmelljocht.
Hoe hâldt God it út, wol ik freegje
in nachtegael sjongt
yn folle pronk.


Nim dit brief fan my, ornearre
mei reade krânsen wyn,
fâldzje myn wurden
oer dyn tafel út, ferjouw de kromkes
dy't tusken de wurden slûpe,

en lês hoe't hjir de wyn
yn âlde beamen pûstet, weifalt


alle tiiden troch.

 frb

In het Fries vertaald door Roel Idema
(Morgen volgt het origineel!)


28-03-18

De eerste alinea (64)


"Ik schrijf om helder in en om mij heen te kijken. Het lijkt of de zon verduisterd is en mijn slapeloze nacht eindeloos doorgaat. Ik knip een lamp aan, zodat ik kan zien, zodat jouw lieve ogen kunnen zien wanneer ze ontwaken. Zodat jou tenminste het bewijs resteert van mijn trouw wakende liefde. Ken jij geen rust, dan ken ik geen rust. Geen moment heb ik mijn rusteloos verdriet respijt gegeven. Ik adem je waanzin: mijn ziel verwijdt zich in de angst zoals je ogen: ze kijkt naar het donker, vreest de spoken en de smetten."

Gabriele d'AnnunzioDe schoonheid van de nacht. 
Vertaling uit het Italiaans: Jan van der Haar. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam – Antwerpen 2018.

20-03-18

Gedicht




Gerri. Groene zandloopkever
Cincindela campestris

Achter een loshangend lipje van een afgebroken bloem, 
even na het optrekken van het zware mistgordijn, komt hij 
tevoorschijn, aarzelt allerminst op zijn weg terug, merkt 
zijn eigen snelheid niet bij het jagen en klussen, druk bezig 
met zijn werk. Hij zoekt naar iets, leeggedroomd en niet 
te stuiten, lijkt gewichtloos, raakt even uit het zicht, voelt 
zijn honger groeien, bijt zich vast in het grauwe, kille licht 
dat is overgebleven. Vliegend, dan weer ingespannen rennend,
een prooi tussen zijn tangen en kaken, een mug nog wel, 
verdwaalde mug, argeloze mug, haast hij zich een tunneltje in, 
schuift langs korrels zand, knipt, nee, rijt het diertje in stukken, alles
aan ons oog onttrokken, besproeit het met spijsverteringssappen. 
En kijkt niet op, want al te vraatzuchtig bezig, als de grond boven 
hem trilt en krult, dichtklapt na een voetstap, pardoes neergezet 
door een verdwaalde wandelaar, nietsvermoedend van zijn daad.

 frb

Uit de Poëziekrant, nummer 2, maart-april 2018. Het gedicht is uit de reeks 'Kleine insectologie'. Komend najaar verschijnt bij Meulenhoff mijn dichtbundel Zoveel nabijheid.



15-03-18

De eerste alinea (63)



"Zou u liever meer liefhebben en meer lijden, of minder liefhebben en minder lijden? Dat is, denk ik, uiteindelijk de enige echte vraag."

Julian Barnes Het enige verhaal. Vertaald uit het Engels door Ronald Vlek. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam 2018

10-03-18

De eerste alinea (62)


"De boerderij van Jukola ligt op de noordelijke helling van een heuvel, dicht bij het dorp Toukola in het zuiden van de provincie Häme. De grond eromheen is bezaaid met stenen, maar wat lager beginnen de akkers waarop vroeger, toen de boerderij nog niet in verval was geraakt, het volle graan golfde. Weer lager ligt een klaverweide waar ook een beekje doorheen slingert – goed hooiland, totdat het vee van het dorp er mocht grazen.
Verder horen er uitgestrekte bossen, moerassen en ongerepte stukken natuur bij de boerderij die de eerste bewoner door verstandig te handelen al vóór de grote verkaveling in bezit had gekregen. Omdat de boer van Jukola toen het belang van zijn nakomelingen zwaarder had laten wegen dan dat van hemzelf, had hij stukken bos die in vlammen waren opgegaan aanvaard, waardoor hij zeven keer zoveel grond had gekregen als zijn buren. Maar alle sporen van de bosbrand waren al verdwenen en het bos was weer even dicht als vroeger. – Hier wonen de zeven broers over wier lotgevallen ik nu ga vertellen."

Alexis Kivi, De zeven broers. Uitgeverij Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 2017.



09-03-18

Aldus de wetenschapper (2)


"Als we op weg gaan, verlaten we onze woonplaats en schorten als het ware tijdelijk onze gehechtheid aan het landschap van ons dagelijks leven op. Door te gaan wandelen bleven we in feite in ons woongebied; het is precies een vorm van geluk en van genieten van de vertrouwdheid van het vertrouwde landschap van anderen: door te gaan reizen geven we niet alleen voor een tijdje ons toebehoren aan een bepaalde streek op, maar stellen ons bovendien bloot aan de ervaring van het wonen van anderen. Het is de ervaring dat elders andere mensen wonen. Door te reizen bemerken we dat andere ruimten voor anderen een even intieme betekenis hebben als onze eigen woonplaats voor onszelf. Het is daarom dat elke echte reis een waagstuk is dat een zekere moed vereist, niet zozeer vanwege de mogelijkheid fysiek te verdwalen, van ongelukken of struikrovers; maar fundamenteler: om de aanslag op ons bewustzijn die gepleegd wordt wanneer wij ons 'in den vreemde' begeven, om de bedreiging van onze habitus – houding en zede – door andere gewoonten, kortom om de crisis van het ik."

Ton Lemaire, Filosofie van het landschap. Uitgeverij Ambo, Baarn. Tweede druk 1996


04-03-18

Aldus de kunstenaar (19)


"Tekenen is voor mij heel wezenlijk omdat het namelijk puur en direct is en niet verbloemend of verhullend. Het is een snel en open medium, waarbij ik me niet achter kunstgrepen kan verschuilen. Ik ben sowieso wars van effectbejag en houd van direct reageren. Een leeg vel heeft voor mij geen betekenis, het mist nog een gebaar en kent geen richting. Eerst moet er een spoor zijn, pas dan gaat voor mij het proces verder. Het intuïtief werken met potlood, pen of krijt, houd je relatief niet lang vol. De spanningsboog is erg kort en intens én vreet energie en concentratie. Je wordt je zo wel heel bewust van je eigen grenzen."

Hans Klein Hofmeijer in over mooi. Kempen Uitgevers, Zaltbommel 2004.
Afb. Nr 917 - 2012 - ‘Studie voor een landschapsachtige verdieping, collectie kunstenaar - 47 x 42 cm.


28-02-18

De droom



De droom

Kom en vraag mij nog een keer wat ik almaar
niet vergeet: waar jij nu bent als je kijkt 

door een kier in de tijd, begonnen aan een reis.
Het is zo leeg hier dat ik verdwaal als ik niet stilsta, 

schaduw op de muren zoek, samen met de zon 
langzaam onderga. Ben ik het die zwerft en

zweeft, op zomeravonden en vroege ochtenden 
bij je aan komt kloppen, luistert naar het vallen 

van het licht, een wandeling maakt op deze
bladstille dag? En vol huiver aarzel bij het hek 

dat de weg afsluit, mij gebiedt in het duister

de zielloze duif te zien, de aarde om haar heen.

 frb


Ger Lataster, De droom (2010 ). Olieverf op doek, 150x120 cm.
Het schilderij is uit een reeks die Lataster schilderde na de dood van zijn vrouw Hermine van Hall. Het gedicht verscheen eerder in mijn bundel Transit, uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2012.


22-02-18

De eerste alinea (61)


"In de achttiende eeuw leefde er in Frankrijk een man die tot de geniaalste en afschuwelijkste figuren van deze aan geniale en afschuwelijke figuren niet arme epoque behoorde. Zijn geschiedenis zal hier worden verhaald. Hij heette Jean-Baptiste Grenouille, en als zijn naam in tegenstelling tot de namen van andere geniale monsters, zoals bijvoorbeeld De Sade, Saint-Juste, Fouché, Bonaparte, enzovoort, tegenwoordig in vergetelheid is geraakt, dan komt dat beslist niet omdat deze Grenouille in aanmatiging, verachting van de medemens, immoraliteit, kortom in goddeloosheid, de mindere van deze beroemde duistere lieden zou zijn geweest, maar omdat zijn genie en zijn enige ambitie zich beperkte tot een gebied dat in de geschiedenis geen sporen nalaat: het vluchtige rijk der geuren."

Patrick Süskind, Het parfum. De geschiedenis van een moordenaar. Vertaling uit het Duits: Ronald Jonkers. Uitgeveij Bert Bakker, Amsterdam 1985


16-02-18

Gedichten op video (13)



Op https://vimeo.com/240130440 een video-opname van H. C. ten Berge tijdens een lezing in het Poëziecentrum te Gent.


HET UURGLAS
                                     voor John Heymans

Nooit een danser
          van tango of twist
keek je als de dood uit Lübeck, Ieper of Berlijn,
schreef een vriend uit vroeger dagen.
Alles werd gezegd, ook de laatste vragen
          werden niet ontlopen.
Wat stelden wij voor? Minder dan niets
mochten wij er desondanks wel wezen.
          De verbeelding bracht ons de gedachte
aan ontwording, helder woord
dat niet te vatten bleek.

Wij stelden ons voor
hoe de levenden verstijfden, terwijl de dood
alweer op weg ging, de kerk uit,
de straat op, de kroeg in,
waar gasten en feestgangers als jonge honden
op een hardcore party dronken,
lijf aan lijf dansten
en zich buiten zinnen met elkaar gingen verknopen.
Vlezige lippen zogen aan oren, monden, tepels.
Het leven moest men vieren

      en het vat worden geleegd.

Het was gedaan, de laatste ronde
brak al aan, het uurglas
was verlopen.

Hoogste tijd om heen te gaan.
Nog kussend werden zij ontvleesd
en weggemaakt, eerst in diepe slaap verzonken,
daarna als bedremmelde skeletten

in een paardans met de dood ontwaakt.


Uit H.C. ten Berge, Splendor. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen 2016



14-02-18

Elias Canetti en zijn obsessie: de dood (4)



"Beeld van de talloze auto's in deze stad, de onophoudelijke stroom, die uitmondt in een ongeluk.
De auto waarin je tegen elk gevaar beschermd bent moet nog uitgevonden worden. Pas als je uitstapt ben je weer vatbaar voor de dood. Veilige, absoluut veilige auto's, waarin mensen instappen om zich een poosje veilig te voelen.
Mijn veilige auto, dat zijn mijn potloden. Zolang ik schrijf voel ik me (absoluut) veilig. Misschien schrijf ik wel alleen daarom. Maar het maakt niet uit wat ik schrijf, als ik maar niet ophoud. Het kan van alles zijn, zolang het maar voor mezelf is, geen brief, niets wat van buitenaf is opgelegd of wordt geëist. Als ik echter een paar dagen niets heb geschreven, ben ik radeloos, wanhopig, somber, kwetsbaar, wantrouwig, bedreigd door honderd gevaren."

(1965)

Uit: Elias Canetti, Het boek tegen de dood. Uit het Duits vertaald door Rita van Hengel. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam – Antwerpen 2016



08-02-18

Gedichten op video (12)


De moeder

Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.

Toen gij schreeuwde en uw vel beefde

Vatten mijn beenderen vuur.



(Mijn moeder, gevangen in haar vel, 

Verandert naar de maat der jaren.



Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift

Der jaren door mij aan te zien en mij

Haar blijde zoon te noemen.



Zij was geen stenen bed, geen dierenkoorts,

Haar gewrichten waren jonge katten,



Maar onvergeeflijk blijft mijn huid voor haar 

En onbeweeglijk zijn de krekels in mijn stem.



'Je bent mij ontgroeid,' zegt zij traag mijn

Vaders voeten wassend, en zij zwijgt
Als een vrouw zonder mond.)



Toen uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur.

Gij legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen,

Ik was de genode maar de dodende gast.



En nu, later, mannelijk word ik u vreemd. 

Gij ziet mij naar u komen, gij denkt: 'Hij is 

De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt

De honden in mij wakker.'



Terwijl gij elke dag te sterven staat, niet met mij

Samen, ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde.

In mij vergaat uw leven wentelend, gij keert 

Niet naar mij terug. Van u herstel ik niet.




Uit: Hugo Claus, De Oostakkerse gedichten, uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 1956 (2de druk)


05-02-18

Elias Canetti en zijn obsessie: de dood (3)


"Elk jaar zou een dag langer moeten zijn dan het jaar daarvóór: een nieuwe dag waarop nog nooit iets is gebeurd, een dag waarop er niemand is gestorven.

*

"Misschien zou het helemaal niet zo erg zijn om vrolijk te sterven, zolang je maar nooit vrolijk de dood van iemand anders hebt beleefd."

*

"Ik begrijp de religie zoals ik haar nog nooit heb begrepen, een gevoel dat je alleen maar religieus kunt noemen beheerst mij op dit moment volkomen. Religie is het gevoel van een verbinding met de doden. Misschien is in sommige mensen dat gevoel zo sterk geweest dat het de doden werkelijk tot leven wekte. –– Christus?"

[1956]

Uit: Elias Canetti, Het boek tegen de dood. Uit het Duits vertaald door Rita van Hengel. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam – Antwerpen 2016



02-02-18

I.M. Menno Wigman (1966-2018)



Terwijl dit jaar de hazelaar vroeger bloeit
dan ooit, ga je bij ons weg. Alsof je weet
wat nu te pronken staat is morgen al geknakt.
Je wist waar de dood woonde, hield hem van je af.

Totdat onder een andere hemel hij in een paar stappen
naast je stond, jij het zonlicht voelde trillen, 
de stilte in je donkere ogen almaar groter werd.

Vol beroering, toen je zieke hart het begaf, 
viel dauw over de hazelaar heen. Stuifsel

van de twijgen dwarrelde ontredderd neer.


 frb



30-01-18

Elias Canetti en zijn obsessie: de dood (2)


"Leegte in een café dat net nog vol was. De verdwenen kinderen, hun verstomde stemmen. De plotselinge kracht van de klok. De twee serveersters die nu de macht grijpen; er wordt hun niets meer verboden en ze hebben zich gehandhaafd. Zo'n leegwording is altijd kalmerend en droevig tegelijk; alsof je een plaats hebt waar de dood je niet bereikt; en alsof hij de anderen al allemaal heeft gehaald."

[1953]


Uit: Elias Canetti, Het boek tegen de dood. Uit het Duits vertaald door Rita van Hengel. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam – Antwerpen 2016


27-01-18

Elias Canetti en zijn obsessie: de dood (1)


"Ze vragen je altijd wat je eigenlijk bedoelt als je op de dood scheldt. Ze willen van jou de goedkope vormen van hoop die in de religies tot vervelens toe worden opgedreund. Maar ik weet niets. Ik kan er niets over zeggen. Het is mijn karakter, mijn trots, dat ik de dood nog nooit heb gevleid. Zoals iedereen heb ook ik soms, heel zelden, naar hem verlangd, maar geen mens heeft ooit een lofprijzing van de dood van mij gehoord, niemand kan zeggen dat ik voor hem heb gebogen, dat ik hem heb erkend of goedgepraat. Ik vind hem nog steeds even nutteloos en slecht als altijd, het fundamentele kwaad van al wat bestaat, het onopgeloste en onbegrijpelijke, de knoop waarin alles van oudsher verstrikt en gevangen zit en die nog niemand heeft durven doorhakken."

[1951]

Uit: Elias Canetti, Het boek tegen de dood. Uit het Duits vertaald door Rita van Hengel. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam – Antwerpen 2016