16-11-17

De eerste alinea (57)


"Soms gebeurt er iets in je leven waarna je nooit meer dezelfde wordt. Het kan iets directs of indirects zijn, of iets wat iemand tegen je zegt. Maar wat het ook is, er is geen weg terug. En onvermijdelijk, als het gebeurt is dat plotseling, zonder waarschuwing vooraf."

Mark Henshaw, De sneeuwkimono.
Vertaling uit het Engels: Kees Mollema. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam 2016.

13-11-17

Fragment dagboek van een schrijver (5)



"De maan – Zoals ze opkomt boven de rosse bergen, niet als schijf maar als bol, als bal van bleek ivoor; het paars eromheen, het andere dat buiten haar is, het niets tussen haar en ons, het heelal, de nacht, de dood. En de dag en het licht dat voor deze ruime hangt, wat is het toch weer dun, een sluier van zijde die ieder moment kan scheuren. Je moet niet in de zon gaan liggen slapen. Je wordt wakker met pijn in je aderen, althans met een lijflijk gevoel dat je bloed en aderen hebt, met een plotseling besef van tijd die verstrijkt, en de avond die ons nog een keer opneemt met bloeiende brem en glinsterende zee – hij is even schrikwekkend als prachtig, telkens weer, vol plotselinge doorkijkjes naar het onzichtbare."

Max FrischDagboek 1946-1949. Vertaling uit het Duits: Wouter Donath Tieges. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1986.


10-11-17

Gedichten op video (9)



AZUL

Toen we in dat landschap waren,
De zee dichtbij, waar het zand rook
Naar zand, droog en vochtig, boog
Het kinderhoofd en legde zich neer.

Ik was de vroege slaper en mijn
Stem gorgelde in schelpen. Ik was
De ziener van de zee, met zand,
Met schep en zeepier in de hand.

Ik was een jeugdbeeld, dat knaagde
Aan de ochtendspiegel, moeiteloos strand.
Toen we in dat landschap waren,
Vloed spoelde, geen ontkomen.

Stond het water op de lippen.
Ik was de golven, het kind
Van toen. Het land met gaten
In de wolken, vingers aan de rand.

Hans van de Waarsenburg

Uit Azul, uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam 2006. Ook opgenomen in Hans van de Waarsenburg, Een rijbroek uit Canada. Een keuze uit de gedichten van 1965 tot 2015. Uitgeverij Wereldbibliotheek, Amsterdam 2016.

08-11-17

Fragment dagboek van een schrijver (4)


"De apen in de dierentuin – indruk: die zitten daar precies op de grens waar de verveling begint. Plotseling stoppen ze waarmee ze bezig zijn, kijken naar de lucht, even tonen ze alle melancholie die de mens onderscheidt: alleen kunnen de apen niet naar een concert, naar het toneel, ze kunnen er nog geen kunst van maken, ze luizen elkaar, voor de wetenschap missen ze het verstand, ze spelen met pinda's of hun geslachtsdeel – meer hebben ze nog niet in huis. Maar ze kunnen al spelen! Salamanders spelen niet; die liggen op hun buik, ademen en verteren; die hebben er zelfs geen benul van wat verveling is. Een redelijk intelligent mens, hoor je wel eens beweren, kan zich niet vervelen. Intelligentie is de voorwaarde voor verveling! Onlangs heb ik weer over de Griekse goden gelezen: en vervelen dat ze zich doen! Ze zetten aan tot moorden en oorlogen enkel om zichzelf te amuseren in hun onsterfelijkheid... De goden, niet door een eind bedreigd, en de salamanders, die op hun buik liggen te ademen – ik zou noch met de salamanders noch met de goden willen ruilen."

Max Frisch, Dagboek 1946-1949. Vertaling uit het Duits: Wouter Donath Tieges. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1986.


04-11-17

Fragment dagboek van een schrijver (3)


"De zee is warm maar er staat al een frisse wind, je zoekt de zon als je gezwommen hebt. Ook het zand doet als je een kuil wilt graven aan herfst denken; het blijft aan je huid plakken, kil en vochtig, en de lucht is zo dat je, als je daar ligt met je ogen dicht, plotseling aan onze bruine en rode bossen thuis moet denken. Ze zijn al bezig de in bonte kleuren geschilderde badhokjes af te breken, en de vissersbootjes zijn op het strand getrokken. Elke dag kan de laatste zijn. Verder zijn er alleen nog twee buitenlandse meisjes. Ik weet niet eens welke taal ze spreken, zo geweldig gaat de zee tekeer als ze haar golven met donderend geraas op het strand werpt. Uren achtereen kijk ik naar hun fluisterend gekrieuwel, iedere keer schittert het zand, blinkend van het nat dat langzaam als vloeipapier doffer wordt, en weer blijven de lege schelpen achter, meestal verschillende, ze zakken weg in het zand, er vormen zich kleine putjes totdat de volgende golf komt, oprijst en hol wordt zodat de zon erdoorheen, en met schuimbruisende kruin ineenklapt, stampend, kletsend, kolkend."

Max Frisch, Dagboek 1946-1949. Vertaling uit het Duits: Wouter Donath Tieges. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1986.


01-11-17

Fragment dagboek van een schrijver (2)


"Laatste avond ergens in een café. Dansende paartjes, vrolijk, tussendoor eten ze gerookte vis, brood met boter, augurkjes erbij, gedronken wordt er sterke drank. Drie mannen die er erg verfomfaaid uitzien spelen piano, viool en fluit. Onbeschrijflijk mooi als ze de mazurka dansen, één enkel paar, zij met zwierende haren, gelukkig, blijdschap zonder euforie, kinderlijk. Telkens weer die verbluffende flair voor lichamelijke expressie, die bedrevenheid in het liefdesspel, niet preuts maar ook niet ordinair, gratie van beide kanten, die alleen al doordat ze algemeen is nooit de indruk van exhibitionisme wekt. Je voelt een kracht, niet iets onbestemds maar iets jongs, een direct, onvoorwaardelijk plezier in leven, dansen, eten, praten of zingen."

Max Frisch, Dagboek 1946-1949. Vertaling uit het Duits: Wouter Donath Tieges. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1986.



25-10-17

Fragment dagboek van een schrijver (1)



"Vaak als ik 's morgens naar mijn werk rijd stap ik van mijn fiets en neem de tijd voor een sigaret. Mijn fiets zet ik niet op slot om hier niet te lang te blijven hangen, waar het water tegen de stenen van de oever klotst. Eigenlijk is het een opslagplaats, niet aangelegd voor de sier; soms stapelen ze er koeken van zwarte teer op, bergen grint dat ze met vrachtwagens komen brengen en halen, en dan is alles weer leeg; alleen de houten keten blijven, de grote brokken natuursteen, de hagedissen, het verroeste blik, natuurlijk ook het groepje berken, het verwilderde gras, het meer en het bordje 'verboden toegang' dat me jarenlang heeft afgeschrikt, daarachter de open uitgestrektheid."

Max Frisch, Dagboek 1946-1949. Vertaling uit het Duits: Wouter Donath Tieges. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 1986.


18-10-17

Gedichten op video (8)


Rainer Maria Rilke Archaïscher Torso Apollos

Wir kannten nicht sein unerhörtes Haupt,
darin die Augenäpfel reiften. Aber
sein Torso glüht noch wie ein Kandelaber,
in dem sein Schauen, nur zurückgeschraubt,

sich hält und glänzt. Sonst könnte nicht der Bug,
der Brust dich blenden, und im leisen Drehen
der Lenden könnte nicht ein Lächeln gehen
zu jener Mitte, die die Zeugung trug.

Sonst stünde dieser Stein entstellt und kurz
unter der Schultern durchsichtigem Sturz
und flimmerte nicht so wie Raubtierfelle

und bräche nicht aus allen seinen Rändern
aus wie ein Stern: denn da ist keine Stelle,
die dich nicht sieht. Du mußt dein Leben ändern.


11-10-17

De eerste alinea (56)


"Ik weet niet precies waar ik zal beginnen. Het is moeilijk. Al die tijd is verstreken en valt niet meer in woorden te vatten, en de gezichten, glimlachen en wonden evenmin. Maar toch moet ik het probleem vertellen. Vertellen wat ik al twintig jaar op het hart heb. Berouw en grote vragen. Ik moet het mysterie als een buik openrijten en er mijn beide handen in steken, ook als dat nergens iets aan verandert."

Philippe Claudel, Grijze zielen. Uitgeverij  De Bezige Bij, Amsterdam 2010.


04-10-17

Gedichten op video (7)


Tot de levenden

Ik val, ik blijf maar

Vallen, blijf nergens
Liggen nu jullie mij overal neerleggen hier
In die hoge, brede, diepe, denkbeeldige wieg
Van voor mijn geboorte, ik blijf maar

Vallen, ik val
Uit mijn naam, ik val
Uit mijn val, ik val
Uit mijn rol, en zo almaar door vallende sleur ik

Mijn stad en mijn straat
En mijn vrouw en mijn huis
En mijn kinderen mee
In mijn val, ik blijf maar

Vallen, en vallende sta ik nu onderste-

boven en binnenste-
buiten uit-
vergroot in jullie blik

Gespiegeld, ik blijf maar
Vallen, ik val
Uit mijn rol, ik rol
Uit mijn val.


Leonard Nolens Uit: Voorbijganger. Uitgeverij Querido, Amsterdam 1999

27-09-17

Bij Amalfi


Bij Amalfi

Daar het dorp. Ik ken het sluiten van
de deuren, als de zon de stoep op schuift,
vluchtige hand in schutkleur

aan de zoom van het gordijn. Dan ligt alles
dood, breeduit. Het gebeurt dat men zich
te ruste legt, in complete schoonheid
de stal vervallen laat, de moeder, de zoon,
en denkt aan het licht dat uitdrijft, strelend 

de vroege middag, waar niemand bij is,
het gekoer van duiven, zomerkleren aan 
de lijn, waaiend, nooit gelijk.


Eerder verschenen in De trein loopt prachtig binnen. Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam 2003

(foto frb


20-09-17

De eerste alinea (55)



"Er ligt een veer op mijn kussen

Kussens zijn gemaakt van veren, ga slapen.

Een grote, zwarte veer.

Kom maar bij mij in bed.

Er ligt ook een veer op jouw kussen.

Weet je wat? We laten de veren liggen waar ze liggen en slapen op de grond."


Max Porter, Verdriet is het ding met veren. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam-Antwerpen 2016


14-09-17

Gedichten op video (6)


Hans Andreus, Voor een dag van morgen


Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad
hoe lief ik je had.
Maar zeg het aan geen mens,
ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man
alleen maar een vrouw
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.


Uit: Al ben ik een reiziger, Uitgeverij Holland, Haarlem 1959

06-09-17

Fragment uit 'De laatste attractie'


"De brief met uitnodiging stopt ze in haar tas tussen de andere spulletjes. Gek hoe sommige reizigers haar blijven opnemen. Vooral de vrouwen. Ze zijn al tot het eind van het perron geweest, keren langzaam terug, werpen snel een blik op haar tas. Evelien probeert hun gedachten te lezen. Ongetwijfeld ook uitgenodigd, stelt ze vast.
Twee stations verder is het groepje compleet. Zes vrouwen, twee mannen.
Ze wil een ander leven, houdt ze zich voor. De priemende blik van een van de jonge vrouwen ontwijkt ze niet. Trut! Ze zegt het bijna hardop.
Tien minuten later stappen ze uit bij de zij-ingang van het park. Een straffe wind, het tentdoek boven de ijskar klappert. Een aluminiumbuis moet zich zonder scheerlijn zien te redden. Er worden handen geschud, namen genoemd. Ze steken het Plein van de Vergeten Dwergen over. Achter de struiken aan de rand ligt het meer. Evelien weet het.
De man die hen welkom heet, weidt uit over bezoekersaantallen, de pieken in de verschillende seizoenen, bezoekers met een abonnement, het calamiteitenplan. Veel ervan ontgaat Evelien. Ze voelt zich nog steeds in Maartens warmte, sluit opnieuw haar ogen net als vannacht toen zijn lichaam overal om haar heen was.
‘De bedoeling is dat u zich straks hier omkleedt,’ zegt de man.
Hij gaat het groepje voor, wijst op een roze geschilderd planken huis. ‘Hier dus!’ zegt hij. Precies boven het dak met nephouten pannen staat een witte wolk stil tegen een staalblauwe hemel. Niemand zou het gezien hebben, als de man er niet op gewezen had. ‘Dat wolkje hoort niet bij de attracties,’ zegt hij met een geroutineerd lachje.
Alleen de dames reageren, op Evelien na."

Eerder verscheen in Op de kaart. Verhalen uit Limburg. Samenstelling Paul Weelen en Luiz Oliveira. Uitgeverij Tic, Maastricht 2005

01-09-17

Aldus de kunstenaar (18)



"Györgi Ligeti werd in het kader van een wetenschappelijke conferentie gevraagd om te spreken over 'de toekomst der muziek'. Er was hem voor het houden van zijn referaat een kwartier toebedeeld. Ligeti besloot, omdat hij van de toekomst der muziek niets afwist, in het hem toebedeelde kwartier niets te zeggen, maar wel op te tekenen wat er in dit tijdsbestek in de zaal zou gebeuren.
1ste minuut: Ligeti verschijnt en schrijft op een schoolbord 'de toekomst der muziek' – zwijgt.
2de minuut: De zaal wordt onrustig, gekuch en geschuifel.
3de minuut: De onrust neemt gestaag toe.
5de minuut: Een oudere heer loopt weg, roept bij de deur iets waarin het woord 'Unfug'.
6de minuut: Geschreeuw, tumult.
7de minuut: De ter beschikking gestelde tijd is nog niet voor de helft verstreken – Ligeti wordt van hem podium gesleurd."

Uit: Micha Mengelberg, Enkele regels in de dierentuin. Uitgeverij Huis Clos, Rimburg 2012


17-08-17

De eerste alinea (54)


"Onder een volle, koude maan loopt een jonge man langs de oevers van het Blackwater. Het oude jaar heeft hij leeggedronken tot aan de droesem, zijn ogen deden pijn, zijn maag keerde zich bijna om en hij kon niet meer tegen het felle licht en de drukte. 'Ik ben even naar het water,' zei hij dus, en hij kuste de dichtstbijzijnde wang. 'Ik ben voor twaalf uur weer terug!' Nu kijkt hij in de richting van het oosten, waar het tij langzaam keert aan de monding van de rivier en witte meeuwen glanzen in de branding."

Sarah Perry, Het monster van Essex. Vertaling uit het Engels: Natasha Gerson en Roland Fagel. Uitgeverij Prometheus, Amsterdam 2017

14-08-17

Kleur (fragmenten)


Wij spraken nog over vermiljoen
en nu is hij dood.
Ik ga hem zien en kan niets voor hem doen.
Bij God, als er een hemel is, dan is hij rood.

Pierre Kemp, ‘Rood’. Uit Stabielen en passanten 
Uitgeverij Veldeke, Maastricht 1934
-------------------------------------

Toen eens die groote schilder 
De wereld verven zou, 
Klom hij eerst in den hemel – 
Den hemel maakte hij blauw

C.S. Adema van Scheltema, ‘Kleinood’ 
Uit Van Zon en Zomer, Uitgeverij Amsterdam 1902
-------------------------------------

De zee is lelieblank, 
De zee is leliegroen, 
Zij spiegelt zich blauwgroen, 
En ruist iederen klank. 

Herman Gorter, ‘De zee is lelieblank’.
Uit: Verzameld werk, deel 6. A.J. van Dishoeck/Em. Querido,
Bussum/Amsterdam 1950
-------------------------------------

Drie jongleerballen, vier kleuren 
van zachtgeschilderde huid. 
Een, twee, drie. Een, twee, drie, vier. 
Groen, geel, blauw, rood.

Tonnus Oosterhoff. Uit: Robuuste tongwerken, De Bezige Bij, Amsterdam 1997

03-08-17

Gedichten op video (5)


Remco Campert leest Gerrit Kouwenaar


Kijk het heeft gewaaid

op het kleine bladstille plein
lagen groene bladeren die er niet hoorden

het was een zomer zoals het behoorde
totaal als de oorlog die elders woedde

terwijl de stad als een bom lag te dromen
moest er een droom zijn geweest die niet droomde

iets om even te schrikken, in woorden, terwijl
de rivier de vrienden voorbijstroomde

zij spraken over taalgebruik tandbederf aan
staande doden, schatten de roerloze tegenoever

prezen de dag tot diep in het donker, het was
zoals het altijd geweest was.


Oorspronkelijk opgenomen in Gerrit Kouwenaar, Kijk het heeft gewaaid. Uitgeverij Herik, Landgraaf 1993. De titel is ontleend aan een uitspraak van Remco Campert, gedaan op het Westplein te Rotterdam op 20 juni 1992. Het gedicht is aan hem opgedragen.


28-07-17

Vijftigste sterfdag Pierre Kemp


De dichter Pierre Kemp stierf op 21 juli 1967 te Maastricht, hij was tachtig. Zijn collega's Leo Herberghs (1924) en Hans van de Waarsenburg (1943-2015) werden precies op die dag drie en veertig en vier en twintig.
De dag van de uitvaart was het stralend zomerweer (‘Ik wil de zon in alles evenaren’). Ik was niet aangeschoven in een van de banken, hield me onder het oksaal, niet ver van de kerkdeur. Vond dat ik er moest zijn, de dichter had ik ooit voor de schoolkrant geïnterviewd, sindsdien had ik alles van hem gelezen. Deze man, altijd in een zwart pak, die in zijn poëzie zo kleurrijk was, intrigeerde me. Zijn fascinatie voor de muziek, zijn oog voor het vrouwelijk schoon. Het was niet altijd even gemakkelijk om een compleet beeld van hem te krijgen. Zijn collectie schilderijen zou pas dertig jaar na zijn dood in het Bonnefantenmuseum te zien zijn.
Wat ik mij sterk herinner, die dag van zijn uitvaart, is het binnenkomen van de lijkkist: een zee van veldbloemen op het blanke, houten deksel – het bracht ineens de zomer in de kerk. Kempiaanser kon het niet, in al zijn eenvoud ontroerde het. (‘Ik zou de bloemen wel handen willen geven, / maar mijn vingers zijn zo grof.’)
Toen de dienst al begonnen was, ging de zware deur naast mij langzaam open. Dichter/schrijver Adriaan Morriën schoof de kerk binnen, achter hem twee meisjes in uiterst korte zomerrokjes, Alissa en Adrienne, zijn dochters uit Amsterdam, beeldschone engelen die Pierre Kemp op de laatste meters van zijn tocht begeleidden. Het moet een onuitgesproken wens van hem zijn geweest die hier in vervulling ging. Uit ‘Afscheid van het leven’, ver voor zijn dood geschreven:

Speel, Pierre, speel zacht hoog boven de valleien
en luister in de rusten, hoe het klinkt,
eer voor een laatst geliefd paar dijen
voorgoed de nacht van ‘t ander leven zinkt.


In september 2017 verschijnt er bij Uitgeverij Vantilt een bloemlezing van zijn poëzie en is er in het Bonnefantenmuseum een tentoonstelling van zijn werken op papier.

27-07-17

Zee (fragmenten)


Ik moet weer op zee gaan, een goed schip en in 't verschiet
Een ster om op aan te sturen, anders verlang ik niet.

J. Slauerhoff, ‘Zeekoorts’, uit Eldorado. Van Dishoeck, Bussum 1928
-------------------------------------

Eens zal het weer regenen
stil, zoals toen aan zee
kom mij dan tegen en
ga met mij mee.

Adriaan Roland Holst, ‘Eens, uit Een winter aan zee. Bert Bakker, Amsterdam 1976
-------------------------------------

De lichtende zee en de langzame deining
van nemen en geven in rijkdom of nood.

H.C. ten Berge, uit de cyclus ‘Splendor’, opgenomen in Splendor, Atlas Contact, Amsterdam 2016
-------------------------------------

De zee plant zich voort in het water.
De zee is voedzaam als een rijpe boomgaard.

Paul Snoek, ‘Zeewaarts gezegd’, uit Noodbrug. De Sikkel, Antwerpen, 1955